Slavenopera met Tania Kross blijft steken in westerse conventies

Opera

Katibu di Shon door Nationale Reisopera. Gezien: 30/6 Stadsschouwburg Amsterdam. Herhaling: 1/7. ***

‘Een mens kan geen slaaf zijn, ook wij willen onze vrijheid’, zingt het koor strijdvaardig. Het einde van de slavernij in de Nederlandse koloniën, vandaag 150 jaar geleden afgekondigd, wordt vanavond in de Amsterdamse Stadsschouwburg herdacht met de wereldpremière van de Curaçaose opera Katibu di Shon (Slaaf en Meester) van librettist Carel de Haseth en componist Randal Corsen.

De opera, de eerste in het Papiaments, is een initiatief van mezzosopraan Tania Kross, die ook een hoofdrol zingt. Het verhaal van liefde en dood speelt tijdens de slavenopstand in 1795 op Curaçao, waar Kross zelf vandaan komt. De opstand kostte vele slaven het leven, de leiders werden op gruwelijke wijze terechtgesteld.

Dat de slaventijd recente geschiedenis is, illustreert Kross aan de geschiedenis van haar familie op Curaçao. De opa van haar oma werd als slaaf geboren op de plantage Groot Santa Martha van de voorouders van librettist Carel de Haseth. Hij schreef de met de Cola Debrotprijs bekroonde novelle Katibu di Shon (1988), waarin Kross stof zag voor een opera.

Hoe complex de verhoudingen op Curaçao waren, blijkt al uit het feit dat Kross onder haar voorouders ook een slavenhouder heeft. In de opera is ze tegelijkertijd verliefd op de slaaf Luis en de slavenhouder Wilmu.

De muziek van jazzmusicus Randal Corsen, wiens betovergrootvader op Curaçao een klassiek componist was, zegt te verwijzen naar folklore, eigentijdse serieuze muziek, lichte jazz en Latijns-Amerikaanse muziek. Maar gespeeld op het instrumentarium van het Matangi Quartet en ensemble is het vooral serieuze westerse kunstmuziek, met verve gedirigeerd door Ed Spanjaard. De boze strijdmuziek van de opstandelingen herinnert aan ‘onze’ jaren 60. Exotiek ontbreekt nagenoeg.

De tragiek van het verhaal is dat de rivalen Luis en Wilmu samen opgroeiden en vrienden waren. De schlemielige Wilmu, die Anita verkracht en als eigendom opeist, wordt met te weinig présence gespeeld door de lichte tenor Jeroen de Vaal. Aan het slot geeft hij de gearresteerde Luis een mes, om met zelfmoord zijn executie te ontlopen. De zwarte Britse bariton Peter Brathwaite geeft Luis de allure van een mythische strijder, uiteindelijk vergevingsgezind. De als Anita geheel overtuigende Tania Kross beëindigt de opera met een visioen van vrijheid.

Het zeventig minuten durende geheel, geënsceneerd door Monique Wagemakers in een macaber decor met doodskoppen van John Otto, blijft met te veel westerse operaconventies steken in goede bedoelingen.