Servië moet genocide erkennen, niet uitwissen

Zolang Servië de wandaden van de oorlog wegstopt, is verzoening onmogelijk, stelt .

Illustratie Anne van Wieren

Er wordt vandaag de dag veel gesproken over ‘afsluiting’ of ‘verzoening’ na conflicten – het zijn de toverwoorden waarmee de internationale gemeenschap alle conflicten denkt te kunnen oplossen. Twee decennia na de Bosnische oorlog, twee decennia na de wrede acties van de Serven waar de Bosnjaken het slachtoffer van werden, is er echter geen sprake van ‘afsluiting’ of ‘verzoening’. Beide kunnen pas plaatsvinden als de Serven erkennen wat er gebeurd is.

De wreedheden tijdens de Bosnische Oorlog (1992-1995) werden gepleegd door alle partijen en waren gericht tegen alle bevolkingsgroepen. De Servische etnische zuiveringen van de volledige Bosnjakse bevolking, inclusief ongewapende burgers, waren echter veel grootschaliger en veel systematischer dan de wreedheden die gepleegd werden door de andere partijen: volledige steden werden afgebrand en duizenden Bosnjaken werden vermoord of weggejaagd.

Tijdens de oorlog werd een ongekend aantal Bosnjaken – van wie de meerderheid ongewapende burgers – gedood, een aantal dat zou oplopen tot ruim honderdduizend voor het einde van de oorlog. De mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch oordeelde dat de Serven genocide hadden gepleegd op de Bosnjaken.

Dit verleden kan door de Bosnjaken pas worden afgesloten als de Serven erkennen wat er gebeurd is. Het weliswaar extreme, maar voor de hand liggende voorbeeld hierbij is de Holocaust; de systematische Jodenvervolging door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al zijn de Joden zwaar getroffen, hun verleden, de geschiedenis van wat er met hun volk is gebeurd, wordt niet langer ontkend. Het zijn namelijk niet de Joden die de musea in Dachau of de monumenten in Berlijn gebouwd hebben; het zijn de Duitsers. Al duurde het een aantal jaar, de Holocaust is een onherroepelijk en onomstreden onderdeel van de geschiedenis geworden. Dat was de basis waarop verzoening en vrede mogelijk werd.

Concentratiekampen

Erkenning geeft het slachtoffer iets terug van wat was afgenomen; natuurlijk niet de doden, maar het kan hun verlies wel een naam en een plaats geven. Zonder erkenning worden de gevolgen van de oorlog voor de slachtoffers juist verergerd. Ze zijn verloren, hebben geen plek in de geschiedenis en voelen zich verschrikkelijk alleen in de nasleep van wat er met ze is gebeurd. Dit wordt alleen maar erger onder de druk van de rest van de wereld om te vergeten en te vergeven wat niet vergeten en vergeven kan worden, voordat er erkenning heeft plaatsgevonden.

Servië houdt in politieke kringen nog wel de schijn op te erkennen wat er is gebeurd, maar dat is alleen uit diplomatieke overwegingen. Vonnissen van het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag worden geaccepteerd en aangeklaagde oorlogsmisdadigers worden geleverd, omdat Servië anders niet lid kan worden van de Europese Unie.

In de Servische maatschappij wordt het verleden echter niet alleen ontkend, maar ook nog eens uitgewist, zoals dat onder andere gebeurde met de renovatie van het voormalige concentratiekamp in Omarska.

Op enkele dappere individuen en kleine groepen na kan er niet gezegd worden van de Serven dat ze erkend hebben wat er gebeurd is. Er bestaat een vreemde dubbelzinnige houding bij de meeste Serven die schommelt tussen ontkenning en rechtvaardiging: ‘we hebben het niet gedaan, maar we moesten het doen om onze mensen te verdedigen’. In 1992 noemden de Serven de concentratiekampen rond Prijedor ‘informatiecentra’ en ‘vluchtelingenkampen’; twintig jaar later gebruiken de Servische autoriteiten nog steeds dezelfde weerzinwekkende termen.

Het uitblijven van erkenning van wat er gebeurd is aan Servische kant is echter misschien nog niet het gevaarlijkst. Erger nog is het gelijkstellen van het leed aan Bosnjakse kant – door toedoen van de Serven – aan het leed aan Servische kant. Inderdaad was er ook leed onder de Serven, maar het was veel minder: 4.000 dodelijke burgerslachtoffers vergeleken met ruim 50.000.

Dit gelijkstellen begon bij Servische leiders, maar werd al snel overgenomen door de internationale gemeenschap. In het Westen is men na de oorlog consistent blijven praten over de noodzaak van ‘verzoening’ in Bosnië, als een soort tovermiddel. Overlevenden en nabestaanden worden onder druk gezet om verder te gaan met hun leven alsof er niets gebeurd is. Het verleden wordt uitgewist door de verschillende partijen gelijk te stellen met woorden als ‘verzoening’ en dergelijke.

Provocerend monument

Een voorbeeld daarvan is het feit dat er geen monument is in Omarska voor degenen die daar werden gemarteld en vermoord. De machtige staalproducent ArcelorMittal, dat het terrein bezit en gebruikt, staat erop dat de lokale autoriteiten het eens moeten zijn met de vestiging van zo’n monument. Mittal weet echter maar al te goed dat zijn partner de Servische republiek is, die of ontkent wat er is gebeurd, of het gelijkstelt met wat er met de Serven is gebeurd. En de staalproducent weet ook dat de lokale autoriteit die van Prijedor is, die de kampen zelf gevestigd heeft tijdens de oorlog.

Net als in Omarska wordt elke poging door slachtoffers om op de bodem van ‘Republika Srpska’ een monument te vestigen afgewezen met het argument ‘hoe zit het met de andere kant van het verhaal?’ Het monument op het terrein van het voormalige concentratiekamp in Trnopolje, een gedenkteken gewijd aan een klein aantal gesneuvelde Serven op een enigszins provocerende locatie, is niet de enige in zijn soort. Het monument in Foca, waar tijdens de oorlog duizenden Bosnjaken werden vermoord, gemarteld of verkracht, is ook gewijd aan gesneuvelde Serven, van wie er slechts enkelen in die stad leefden tijdens de oorlog. Nog zo’n monument staat in Višegrad, vlakbij de brug waar honderden Bosnjaken werden afgeslacht.

Het lijkt nog lang te gaan duren voordat Serven dergelijke monumenten voor Bosnjakse slachtoffers zullen plaatsen. Door dat te doen zouden ze impliciet erkennen wat er is gebeurd. Zulke erkenning betekent iets ingewikkelds, iets ongemakkelijks: een pijnlijke confrontatie met de waarheid. Dat is moeilijk. Maar erkenning is de enige weg naar vrede en uiteindelijk verzoening.

Erkenning maakt verzoening niet onvermijdelijk, maar wel mogelijk. Er kan geen afsluiting of verzoening zijn zonder erkenning, noch iets dat vrede genoemd kan worden.