Red schrijfvaardigheid van Nederlands op eindexamen

Het eindexamencijfer Nederlands wordt voor de helft bepaald door tekstbegrip, terwijl schrijfvaardigheid niet meetelt. Dat moet anders, meent Leo Prick.

Universiteiten en hogescholen klagen al jaren over het niveau van de aankomende studenten. Dat hoort er een beetje bij, maar als een bepaalde klacht steevast terugkeert, ontkom je er niet aan die serieus te nemen: studenten kunnen niet meer schrijven. Onbeholpen teksten waar geen touw aan valt vast te knopen, ontsierd door spel- en stijlfouten. De scriptie is voor steeds meer studenten een horde die alleen kan worden genomen dankzij ondersteuning door een van de bureautjes die de student helpen het onderwerp te bedenken, uit te werken en ook nog eens op te schrijven.

In het verleden kenden wij het opstel bij het eindexamen Nederlands. Met titels als ‘De macht van het geweten’ ‘Televisie, venster op de wereld?’ nodigde het uit tot het schrijven van een samenhangend betoog. Velen hadden bezwaar tegen het onnatuurlijke karakter van de opdracht.

Vandaar dat het werd vervangen door de veel meer op een levensechte situatie gelijkende opdracht om „ten behoeve van een gedocumenteerde uiteenzetting, beschouwing en betoog relevante informatie te verzamelen en te verwerken, en deze informatie adequaat te presenteren met het oog op doel, publiek, tekstsoort en conventies voor geschreven taal”. Die opdracht werd deel van het schoolonderzoek. Daarmee werd tegemoet gekomen aan een ander bezwaar: omdat het beoordelen van een opstel in hoge mate wordt bepaald door persoonlijke smaak, hoorde het niet thuis in een centraal schriftelijk eindexamen. Daarvan is het immers de bedoeling dat alle leerlingen op gelijke wijze worden beoordeeld.

Nu beperkt het centraal examen Nederlands zich tot tekstbegrip dat ter wille van de objectieve beoordeling grotendeels de vorm heeft van meerkeuzevragen. De kritiek van veel hoogleraren richt zich op de vraag in hoeverre de verschillende antwoorden op de vragen uit het vwo-examen al dan niet juist zijn. Dat hun kritiek juist dit examen betreft, is niet toevallig en komt niet alleen doordat ze daarmee via hun kinderen, vrienden en kennissen het meest vertrouwd zijn. Hoe hoger het leerlingen- en tekstniveau, hoe moeilijker het is bij de vragen een aantal verleidelijke maar onomstreden onjuiste antwoorden te bedenken. Dan verval je snel in scherpslijperij en valt er altijd wel een redenering te bedenken die een foutief antwoord plausibel maakt. Met als gevolg dat wat je wint aan objectiviteit, verliest aan inhoudelijke relevantie. Het bezwaar van de hoogleraren geldt dan ook niet alleen voor het examen van dit jaar, maar is inherent aan de vorm waarvoor is gekozen.

Het eindexamencijfer Nederlands wordt voor de helft bepaald door het centraal schriftelijk, in casu tekstbegrip, terwijl de schrijfvaardigheid als een van de vele onderdelen van het schoolonderzoek voor het eindcijfer maar weinig gewicht in de schaal legt. Het is, naast de omstreden foutieve antwoorden, deze wanverhouding die heeft geleid tot de kritiek op het centraal examen. Daarin zat aan het slot de opdracht een korte samenvatting te maken. Volgens de correctierichtlijn mochten „voor fouten met betrekking tot incorrecte formuleringen en onjuist taalgebruik in totaal vier hele scorepunten worden afgetrokken”. Vier van de 49 mogelijk te behalen punten. Kortom, hoe je het opschrijft doet er weinig toe.

We weten dat de eisen die worden gesteld bij het schoolonderzoek van school tot school verschillen. Om waarde te blijven hechten aan diploma’s, moeten we er daarom voor zorgen dat alle examenonderdelen die we belangwekkend vinden zo veel mogelijk een plaats hebben in het centraal examen. Dat is nu met de wanverhouding tussen tekstbegrip en schrijfvaardigheid niet het geval.

Je zou dit probleem kunnen oplossen door een combinatie van tekstbegrip en schrijfvaardigheid, door leerlingen een aantal teksten voor te leggen met als opdracht die samen te vatten om daar vervolgens hun eigen mening over te geven. Het probleem van de subjectieve beoordeling is te ondervangen door elk werkstuk te laten nakijken door drie leraren van andere dan de eigen school. Dat is veel werk en daar moet dan ook een vergoeding tegenover staan. In Frankrijk bedragen de kosten van het baccalauréat 2.400 euro per leerling. Wat hebben wij er voor over?

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.