Met Couperus op de Zeedijk

Illustratie Ank Swinkels

Louis Couperus hield van chique taal, maar kon hij ook genieten van platte volkstaal? Ja, en daar hebben we een goede bron voor. Op 27 april 1915 gaf Louis Couperus een lezing in Amsterdam. „Voor den smallen wand van de zaal”, schreef de NRC, „omringd door vitrines gevuld met Oostersche preciosa en zacht lichtende faïence, geleund op een zuilvormige piedestal, met een lagen trumeau naast zich, waarop mevrouw Couperus een paar bloemen neerlegde, stond de dichter tegenover de geheel gevulde zaal.”

Een van de toehoorders was de Amsterdamse schrijver Israël Querido. Die had indertijd veel succes met enkele romans waarin hij het volksleven en criminele milieu in de Jordaan en op de Zeedijk beschreef. Couperus, een bewonderaar van Querido, had die boeken gelezen. Hij zei dat hij „rilde van het milieu” dat Querido beschreef, maar vroeg Querido desalniettemin om hem rond te leiden over de Zeedijk en de aanpalende straten.

Querido beschreef die wandeling later in Mijn zwerftochten door Jordaan en donker Amsterdam. Couperus en Querido, zo lezen we, liepen nog maar net over het Oudezijds Kolkje toen ze „een stelletje nobelgajes” tegenkwamen – souteneurs, dieven en oplichters. Een daarvan was een goede bekende van Querido, die ter voorbereiding van zijn romans een paar jaar in de Jordaan had gewoond. Querido beschrijft de conversatie die hij, in aanwezigheid van de verfijnde Couperus, met deze onderwereldfiguur voerde.

„Schok je een rondje?”, begon de man. „Noppes”, antwoordde Querido, „ik heb geen brass” (kleingeld). „Maak geen jen”, antwoordde de onderwereldjongen. „Kom, ’n hassebassie of ik zeen je op je schiebaart” (lees: kom, een borrel, of ik sla je op je gezicht).

Na dit gesprekje lopen Querido, Couperus en de pooier een kelderkroeg in. „Louis Couperus genoot van zijn levendige schimpkracht en zijn guitige taal”, schrijft Querido. „Toch moest ik alles voor hem vertalen, want hij verstond van het overgroote deel geen woord.”

Ook F.L. Bastet, de biograaf van Couperus, beschrijft Couperus’ bezoek aan de Zeedijk. Het was een vrijdagavond en Querido had een zakkenroller en inbreker meegenomen, een zekere Willem. Couperus vond de Zeedijk tegenvallen, want er werd niet geknokt en ze zagen er geen „kleurig zwelggenot”. Ze bezochten de Wallen en de buurt rond de Oude Kerk. Ten slotte schiep Couperus er „een bijzonder genoegen” in, aldus Bastet, „zich door Willem de zak te laten rollen. Een fraaie zilveren munt mocht de goede boef behouden.”

Couperus las de besprekingen van zijn Amsterdamse lezing. Hij vond ze benepen omdat ze meer aandacht besteedden aan zijn verschijning dan aan zijn werk. Iemand had geschreven: „Hij drinkt niet! Hoe kunt ge zeggen dat hij drinkt, hij nipt. Hij snuit niet, hoe kunt ge zeggen dat hij snuit, hij golft met zijn neusdoek tegen zijn gelaat aan.”

Couperus reageerde in de Haagse krant Het Vaderland: „Het is waar, ik beken nú, dat ik beter hadde gedaan mij flink, als een echte jongen van de Digue-de-Mer [Zeedijk, ES], op het podium mij toe bedacht, éen vinger tegen het éene neusgat te leggen en dan door het andere een forschen straal de zaal in te blazen: ik ben nú overtuigd, dat dit grootsteedscher zoû gestaan hebben. Ook hadde het van metropoolschere manieren getuigd tusschen elke drie regels voordracht een schuimende pot bier naar binnen te slaan.”

Een dandy die zijn neus leegspuit, het is een beeld dat me voor Couperus inneemt.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft op deze plek over taal. De volgende WoordHoek verschijnt half augustus.