Exit Kunduz. En nu de praktijk

Twee jaar ondersteunden Nederlanders ‘het recht’ en de politie in Kunduz. Er is goed werk gedaan, zeggen ook Afghanen, maar ze gaan te vroeg weg.

Vlaggenceremonie op het Duits-Nederlandse kamp in Kunduz, januari 2013. De Afghaanse politiekadetten staan aangetreden. Foto HH

Boven het Duits-Nederlandse kamp bij Kunduz houdt een onbemande zeppelin met sensoren de wijde omgeving in de gaten. Recht beneden: de zandkleurige gebouwen van de Duitsers. Naar het oosten, achter de wrakken van sovjettanks: de Amerikaanse helikoptereenheid. In het zuiden ziet de Hindenburg, zoals ze de ballon hier onvermijdelijk noemen, de stad Kunduz, achter de baksteenfabriekjes. Aan de westkant staat het Nederlandse kamp.

Maar niet lang meer.

Vandaag, een jaar eerder dan gepland, begint de terugtrekking van zo’n driehonderd Nederlandse militairen en politietrainers. Hun materieel gaat in lange colonnes trucks of met ingehuurde vrachthelikopters naar de vliegbasis Mazar-e-Sharif. En vandaar naar huis.

De sluimerende vraag, van veel Nederlanders én Afghanen: is dat na een verblijf van twee jaar niet een beetje te snel om de doelen van Kunduz, politietraining en versterking van het recht, te laten beklijven?

Natuurlijk is het „inshallah” als we weg zijn, zegt kolonel der mariniers Marc Brinkman, commandant van de laatste lichting politietrainers. „Daar draait niemand omheen. Maar we hebben wel aanwijzingen dat ze onze westerse ideeën omarmen.”

Een van die aanwijzingen is te vinden in Aliabad, op een half uurtje rijden met de Bushmaster-pantservoertuigen. Daar ligt op een ommuurd, zwaar beveiligd terrein een klaslokaal. Aan de wand hangen instructies in het Dari, naast de tafels van een tot tien. Hier geven Nederlandse militairen training aan Afghaanse agenten van de lokale politie.

Dat wil zeggen: de Nederlanders zijn begonnen Afghaanse trainers op te leiden die straks zonder Nederlandse hulp Afghaanse agenten opleiden. Ismattalluh is één van de acht trainers die inmiddels zijn opgeleid. „Het is niet goed dat de Nederlanders weggaan”, zegt hij. „Maar we willen de trainingen wel voortzetten.”

Op het niveau van het individu, zegt Brinkman, „gaat het goed”. „En ze lijken ook echt te willen doorgaan met die trainingen. Dat is winst.” Op etnisch en tribaal vlak kunnen volgens hem echter invloeden spelen die dat tenietdoen. „Maar die krachten had je ook niet weg gekregen als je tien jaar langer was blijven zitten.”

Commissaris Hanneke Brouwer, politievertegenwoordiger namens het ministerie van Veiligheid en Justitie, vindt dat Nederland te vroeg vertrekt. „Zeker één à anderhalf jaar. We hebben honderden agenten een basisopleiding gegeven. Maar met alleen schooldiploma’s ben je er niet. Het praktijkgedeelte moet eigenlijk nog komen.”

De politie is heel wat mans door de harde Afghaanse realiteit, zegt ze, maar de relatie met de bevolking laat te wensen over. Via EUPOL, de politiemissie van de EU, is Brouwer adviseur van politiecommissaris Andarabi van de provincie Kunduz. Door training van hoger kader had EUPOL nog „goed werk” kunnen verrichten.

Met demonstraties van burgers kan de Afghaanse politie moeilijk overweg; vaak wordt de lange lat gehanteerd. Of erger. Brouwer: „Demonstreren hoef je niet als iets ergs te zien. Als het maar niet uit de hand loopt.” Daarom speelden Afghaanse rekruten op 20 juni in een rollenspel voor demonstrant. En liet het politiekader liet zien dat deëscaleren werkt, dat meppen niet nodig is. „Zo kan het publiek ook vertrouwen krijgen in de politie.”

Ook de rechtsstaat heeft meer grond onder de voeten gekregen, met steun van vooral Buitenlandse Zaken. Een zwaar escorte begeleidt een bezoek aan de orde van advocaten die met Nederlandse hulp is opgezet in Kunduz-stad. Deze organiseert onder meer examens voor advocaten en wijst mensen op het bestaan van zoiets als de pro-Deozaak.

Advocaat Taj Mohammed Kakar zegt dat de Nederlandse hulp „essentieel” is geweest. „Dankzij de orde is het aantal advocaten hier gestegen van 15 naar 57.” Zijn collega Samiya Osmani vertelt hoe ze een zaak deed voor een straatarme man, die geen advocaat kon betalen. „Een vader van negen kinderen, die voor 200 afghani per dag [2,50 euro] in een badhuis werkte. Hij werd verdacht van ontvoering.” Ze kreeg hem vrij.

De orde timmert aan de weg. Kakar: „We gaan langs bij politiebureaus om te vragen of ze misschien verdachten hebben. En dan wijzen we die erop dat ze recht hebben op bijstand.” Vroeger hoefde je daar bij de politie niet mee aan te komen, zegt hij. „Nu doen ze niet moeilijk meer.”

Nederland droeg ook anderszins bij aan versterking van het recht, vertelt Mohammad Hussain, directeur van de huqooq. Dit traditionele, gratis bemiddelingsbureau probeert simpele conflicten op te lossen, zodat de dure gang naar de rechter overbodig is. Hussain zetelt in een nieuw kantoor in Aliabad. „Nog hartelijk dank daarvoor.” Het was hard nodig, zegt hij. „Vroeger zaten we in een aftands huis zonder privacy. Die heb je toch nodig voor het bespreken van sommige zaken.” Steeds meer mensen weten de huqooq te vinden.

Hussain koestert de herinnering aan een recent bezoek „van uw minister-president”. Ze waren net bezig met een kwestie. „Let u maar niet op mij, zei hij. En wij hebben de zaak toen opgelost. Uw premier had een lach op zijn gezicht. Wij Afghanen vinden het heel belangrijk dat onze gasten ons huis met een lach verlaten.”