En nu maar hopen dat het allemaal beklijft

Vandaag begint de terugtrekking van Nederlandse politietrainers uit Kunduz Er tekenen zich voorzichtige stapjes richting rechtsstaat af Maar volgens sommigen komt het vertrek zeker een jaar te vroeg

Een door Nederlandse trainers opgeleide Afghaanse politieman tijdens een verkeerscontrole. Foto ANP

Verslaggever defensie

Boven het Duits-Nederlandse kamp bij Kunduz houdt een onbemande zeppelin met sensoren de wijde omgeving in de gaten. Recht beneden: de zandkleurige gebouwen van de Duitsers. Naar het oosten, achter de wrakken van sovjettanks: de Amerikaanse helikoptereenheid. Zuidwaarts ziet de Hindenburg, zoals ze de ballon hier onvermijdelijk noemen, de stad Kunduz, achter de rook van de baksteenfabriekjes. Aan de westkant is het Nederlandse kamp gevestigd.

Maar niet lang meer.

Vandaag, maandag 1 juli, een jaar eerder dan gepland, strijkt de Nederlandse missie in Kunduz de vlag en begint officieel de terugtrekking van zo’n driehonderd militairen en politietrainers. Hun materieel gaat in lange colonnes trucks of met ingehuurde vrachthelikopters naar de vliegbasis Mazar-i- Sharif. En vandaar naar huis.

De sluimerende vraag, van veel Nederlanders én Afghanen: is dat niet een beetje te snel om de doelen van Kunduz, politietraining en versterking van het recht, te laten beklijven?

Natuurlijk is het „inshallah” als we weg zijn, zegt kolonel der mariniers Marc Brinkman, commandant laatste lichting politietrainers. „Daar draait niemand omheen. Maar we hebben wel aanwijzingen dat ze onze westerse ideeën omarmen.”

Een van die aanwijzingen is te vinden in Aliabad, op een half uurtje rijden met de Bushmaster-pantservoertuigen. Daar ligt op een ommuurd, zwaar beveiligd terrein een klaslokaal. Aan de wand hangen instructies in het Dari, maar ook de tafels van een tot tien. Hier geven Nederlandse militairen van de Police Operational Mentor and Liaison Teams (POMLT’s) training aan Afghaanse agenten van de lokale politie Afghan Uniformed Police (AUP).

Dat wil zeggen: de Nederlanders zijn begonnen Afghaanse trainers op te leiden die zonder Nederlandse hulp Afghaanse agenten gaan opleiden. Dat scheelt in de afhankelijkheid.

Ismattalluh is één van de acht trainers die inmiddels zijn opgeleid. „Het is niet goed dat de Nederlanders weggaan”, zegt hij. „Maar we willen de trainingen wel voortzetten.”

Op het niveau van het individu, zegt Brinkman, „gaat het goed”. „En ze lijken ook echt te willen doorgaan met die trainingen. Dat is winst.” Op etnisch en tribaal vlak kunnen volgens hem echter invloeden gaan spelen die dat tenietdoen. „Maar die krachten had je ook niet weggekregen als je tien jaar langer was blijven zitten.”

Commissaris Hanneke Brouwer, politievertegenwoordiger namens het ministerie van Veiligheid en Justitie, vindt dat Nederland te vroeg vertrekt. „Zeker één à anderhalf jaar. We hebben honderden agenten een basisopleiding gegeven. Maar met alleen schooldiploma’s ben je er niet. Het praktijkgedeelte moet eigenlijk nog komen.” De politie is heel mans, zegt ze, door de harde Afghaanse realiteit, maar de relatie met de bevolking laat te wensen over.

Via EUPOL, de politiemissie van de Europese Unie, is Brouwer adviseur van politiecommissaris Andarabi van de provincie Kunduz. Met de training van hoger kader had EUPOL nog „goed werk” kunnen verrichten. „Je kunt niet zeggen: bedankt en succes verder.”

Tegelijk ziet ze initiatieven van Afghanen die doen hopen dat iets van de missie beklijft. „We hebben ze training gegeven in het handhaven van openbare orde. Daar had de politie zelf om gevraagd.”

Met demonstraties van burgers kan de Afghaanse politie moeilijk overweg; vaak wordt de lange lat gehanteerd. Of erger. Brouwer: „Demonstreren hoef je niet als iets ergs te zien. Als het maar niet uit de hand loopt.” Daarom speelden Afghaanse rekruten op 20 juni in een rollenspel voor demonstranten. En liet het politiekader zien dat deëscaleren werkt, dat meppen niet nodig is. „Zo kan het publiek ook vertrouwen krijgen in de politie.”

Ook de rechtsstaat heeft meer grond onder de voeten gekregen, met steun van vooral Buitenlandse Zaken. Een zware escorte begeleidt een bezoek aan de orde van advocaten die met Nederlandse hulp is opgezet in Kunduz-stad. Deze organiseert onder meer examens voor advocaten en wijst mensen op het bestaan van zoiets als de pro-deozaak.

Advocaat Taj Mohammed Kakar zegt dat de Nederlandse hulp „essentieel” is geweest. „Dankzij de orde is het aantal advocaten hier gestegen van 15 naar 57.”

Zijn collega Samiya Osmani vertelt hoe ze een zaak deed voor een straatarme man, die geen advocaat kon betalen. „Een vader van negen kinderen, die voor 200 afghani per dag [2,50 euro] in een badhuis werkte. Hij werd verdacht van ontvoering.” Ze kreeg hem vrij.

De leden van orde timmeren aan de weg. Kakar: „We gaan langs bij politiebureaus om te vragen of ze misschien verdachten hebben. En dan wijzen we die erop dat ze recht hebben op bijstand.” Vroeger hoefde je daar bij de politie niet mee aan te komen, zegt hij. „Maar nu doen ze niet moeilijk meer.”

Nederland droeg ook anderszins bij aan versterking van het recht, vertelt Mohammad Hussain, directeur van de Huqooq. Dit traditionele, gratis bemiddelingsbureau probeert relatief simpele conflicten op te lossen, zodat de dure gang naar de rechter overbodig is. „Ik ben nog ambtenaar geweest toen de koning er was. Ik heb het allemaal meegemaakt.” Hussain zetelt in een splinternieuw gebouw in Aliabad. „Nog hartelijk dank voor dit kantoor.” Het was hard nodig, zegt hij. „Vroeger zaten we in een aftands huis, waar we geen privacy hadden. Die heb je toch nodig voor het bespreken van sommige zaken.” Steeds meer mensen weten de Huqooq te vinden.

Hussain koestert de herinnering aan een recent bezoek „van uw minister-president”. Ze waren net bezig met een kwestie. „Let u maar niet op mij, zei hij. En wij hebben de zaak toen opgelost. Uw premier had een lach op zijn gezicht. Wij Afghanen vinden het heel belangrijk dat onze gasten ons huis met een lach verlaten.”