De sterrenhemel is een zooitje

Als de kraaien buiten mijn raam maar niet zo zouden gillen. Dan had ik de kans rustig te overdenken wat me de laatste maanden is opgevallen.

Mijn werktijd breng ik veelal door in zaaltjes waarin wordt gesproken over beleid en bestuur, en sinds enige tijd valt me op dat iedereen in die zaaltjes terug wil naar de echte wereld. Iedereen. Wetenschappers, beleidsmakers, adviseurs. Zelfs de ethici in Oxford hebben zojuist een nieuw tijdschrift opgericht, Journal of Practical Ethics, dat blijkens de ondertitel filosofie aanlevert voor de echte wereld. Philosophy Applied to the Real World.

Onder beroepsfilosofen leidt deze claim tot gesmiespel, want hoe echt mag zo’n wereld dan wel niet zijn? Maar los van deze kniesoren is men er klaar voor. Op naar de echte wereld.

Thuis zijn in de boom tegenover mijn werkkamer intussen honderd kraaien neergestreken die krijsen. En in deze zenuwslopende context – het oorlogsgeschreeuw van de vogels, te veel stapels conferentiepapieren op mijn tafel, overal filosofische tijdschriften en twijfels – kom ik maar niet aan het werk. Intellectueel vastgedraaid. Moe. Ik heb het vermoeden dat ik in de buurt ben van een belangrijke kanteling in het denken van de maatschappij, maar krijg er geen vat op.

Om vrolijk te worden surf ik naar een filmpje van Werner Herzog op YouTube, zoals ik altijd doe wanneer ik vast zit. De Duitse regisseur wordt gefilmd op de set in een Zuid-Amerikaans oerwoud, het is 1982, en hij is boos. Op de jungle, de natuur, de bomen, de vogels, kortom, op de echte wereld. Klaus Kinsky, zijn steracteur, beweert dat de natuur vol erotiek is. Maar Herzog ziet geen erotiek, hij ziet moordzucht en slechtheid en obsceniteit. „I see fornication and asphixiation and choking and fighting for survival and growing and just rotting away.”

Ik ben niet de enige die hier van opknapt. Het oude filmpje is al tweehonderdduizend keer bekeken en in de commentaren wordt het aangeprezen als een klassiek voorbeeld van onbedoelde humor. Dan wel een voorbeeld van superieure en onderkoelde ironie. Herzog, zegt men, heeft te veel cocabladeren gegeten. Te veel Schopenhauer gelezen. Hij is een komisch genie. Een pretentieuze intellectueel. Hoe dan ook worden mensen vrolijk van zijn tirade over de vogels, die volgens hem niet zingen, maar het uitschreeuwen van pijn. Zoals velen de Duitse regisseur citeren: „Ze birds are in misery. I don't zink zey sing, zey just screech in pain.”

Het komt natuurlijk door de krijsende vogels tegenover mijn raam dat ik aan deze ongefundeerde razernij van Herzog denk. Het liefst had ik een middel om ze de boom uit te jagen, maar dierenvrienden houden vol dat kraaien grappige en interessante wezens zijn en dat je ze dus geen strobreed in de weg mag leggen. Ik werp tegen dat kleuters ook grappige en interessante wezens zijn, maar dat ik geen honderd daarvan in mijn achtertuin hoef. Toch voel ik aan mijn water dat hier een morele discussie dreigt die ik niet ga winnen.

Werner Herzog heeft voldoende aanleg voor absurditeit om het schreeuwen en paren van vogels met meer distantie te bekijken. Wanneer hij jaren later op straat wordt beschoten tijdens een interview met de BBC, wuift hij de opwinding van de interviewer laconiek weg. „Het is geen ingrijpende wond.” Als iemand prima in staat is de wereld te aanschouwen zonder te vervallen tot morele projecties is hij het.

Maar in 1982 is hij moe, uitgeput, en dus gaat hij tekeer over het gebrek aan orde in de wereld. Er is geen harmonie in het universum, zegt hij, „zelfs de sterren hier aan de hemel zijn een zooitje”. En wij mensen zijn niets dan „slecht gearticuleerde, half afgemaakte zinnen uit een stompzinnige, provinciale, goedkope roman”.

Zoals gezegd praten beleidsmakers en onderzoekers tegenwoordig volop over een terugkeer naar de echte wereld. De gedachte daarachter is dat we op het punt zijn aanbeland dat we voldoende normen hebben gesteld, modellen gemaakt, genoeg getheoretiseerd en geabstraheerd. Al die modellen en rationalisaties hebben zich in uiteenlopende crises tegen ons gekeerd en nu willen de denkers terug naar het concrete geval. Zelf loop ik al vele jaren rond met een slagzin die ik heb ontleend aan Amartya Sen: „De rationele types mogen onze tekstboeken bevolken, maar de wereld is rijker.” Welke wereld? De echte wereld!

Hoe enthousiast ik ook ben over deze hernieuwd oplevende belangstelling voor het concrete, toch maak ik me ook zorgen over een terugkeer naar de echte wereld. Omdat die wereld, zoals Herzog boos opmerkt, overweldigend ongeordend is. Een zooitje. Ongrijpbaar, onvoorspelbaar, onbeheersbaar. En omdat ik bang ben dat de mens daar geen genoegen mee neemt.

Ik zit in die zaaltjes en ik voorzie dat de plannenmakers zich niet zullen laven aan de bontheid van de sterrenhemel, maar dat ze er verontwaardigd iets tegen zullen gaan doen. En nu zou ik hier dus moeten zeggen hoe we kunnen leven in de echte wereld zonder te vervallen tot morele projecties, maar ik ben te moe. Slaapgebrek. Door die honderd krijsende kraaien in de achtertuin.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.