Arnon Grunberg

Arnon Grunberg zit in een Belgisch psychiatrisch ziekenhuis en doet dagelijks verslag. Vandaag: de post-kuurder.

Tijdens mijn eerste avondeten in de psychiatrische inrichting maak ik kennis met het begrip ‘post-kuurder’. Een post-kuurder is een patiënt die intern is geweest, maar nu buiten de inrichting woont en nog drie keer per week langskomt voor therapieën.

Een post-kuurder zegt: „Ik denk dat ik je heel wat over de psychiatrie kan vertellen. Ik ben ervaringsdeskundige, ik heb mijn vriendin hier op de afdeling ontmoet.”

Hij heet Benjamin, en zijn vriendin, die ook aanwezig is, heet Tanja. Ze hebben een gesprek met een psychiater aangevraagd omdat ze een kindje willen maken, en ze willen weten of dat gezien hun voorgeschiedenis verstandig is.

Benjamin heeft een sikbaardje, ik schat hem eind twintig.

Zijn associatievermogen is groot. Net ging het nog over zijn kindje, nu gaat het over Amerika: „De Amerikanen streven naar culturele hegemonie op deze planeet en misschien ook daarbuiten.”

„Slikt je vriendin nog medicijnen?”, vraag ik. Amerika interesseert me minder.

„Ik slik stemmingsstabilisatoren”, zegt Tanja.

Tanja is een lieftallige brunette. „Mijn vorige vriendje was aan de coke”, zegt ze. „Hij deed het met cokesletten, dat zijn meisjes die voor coke poepen met een zogenaamde cokedealer. Ik was hypersensitief aangezien ik zeven jaar een wietverslaving had, dus zo kwam ik hier terecht en hier ontmoette ik Benjamin. In het begin was onze relatie geheim.” Poepen is Vlaams voor neuken.

„Vroeger waren relaties verboden, maar tegenwoordig mag je neuken op de kamer”, licht een andere patiënt toe.

Inderdaad is mij bij aankomst verteld dat alles is toegestaan behalve geweld.

Ik maak een wandelingetje met Benjamin. „Ik slik een nieuw medicijn”, zegt hij, „je kunt je psychose behouden zonder er andere mensen mee lastig te vallen”.

Misschien is dat het hoogst haalbare: een psychose waarmee je niemand lastigvalt.

Benjamin zegt: „Mijn moeder is bijvoorbeeld dood maar ik heb nog enorm veel contact met haar, maar als je dat aan mensen vertelt ben je psychotisch.”

Hij zou mijn broer kunnen zijn.

„Een nevenverschijnsel”, zegt hij, „is dat nummerplaten me enorm veel tekens geven”.

Als verkiezingsuitslagen en beurskoersen ons tekens geven, waarom zouden de nummerborden van auto’s ons dan geen tekens kunnen geven?

(Wordt vervolgd)