'Wilsonbekwame patiënten zijn straks niet meer veilig'

Forensisch artsen willen niet dat de dood van een ernstig zieke baby wordt versneld om de ouders van het kind te ontlasten.

Voor Wilma Duijst, forensisch arts en jurist, is er geen twijfel mogelijk: een dokter mag het lijden van de ouders niet meewegen in zijn beslissing om het leven van een baby te beëindigen. De dokters vinden van wel, blijkt uit het recent gepubliceerde standpunt van artsenorganisatie KNMG over dit onderwerp. Zij stellen dat het voor ouders niet om aan te zien is wanneer dokters bij een ernstig zieke baby de beademing stopzetten. En dat de dokter dus spierverslappers mag toedienen om de dood van die baby te versnellen en het lijden van de ouders te beperken.

Forensisch artsen (lijkschouwers), verenigd in het Nederlands Forensisch Genootschap, zijn het er niet mee eens. Wilma Duijst: „Dan gaan we ernaar toe dat de dokter het leven van een patiënt beëindigt omdat de familie er niet meer tegen kan. Dat kan niet. Want dan zijn alle wilsonbekwame patiënten – baby’s, demente ouderen – onveilig.” Volgens Duijst draait het bij levensbeëindiging altijd maar om één ding: het lijden van de patiënt en het ontbreken van medische mogelijkheden om hem beter te maken.

De discussie over levensbeëindiging bij pasgeboren baby’s met ernstige afwijkingen – zoals een ernstige huidziekte of een open rug – is gisteren opnieuw opgelaaid nu de (driehonderd ) forensisch artsen zich keren tegen het nieuwe, officiële standpunt van artsenorganisatie KNMG. In sommige landen is levensbeëindiging bij baby’s taboe, maar in Nederland was het jarenlang gangbare praktijk: van baby’s met heel ernstige afwijkingen die ‘ondraaglijk’ zouden lijden, werd het leven in het ziekenhuis beëindigd tenzij de ouders dat echt niet wilden en er nog medische mogelijkheden waren.

De KNMG werkte anderhalf jaar aan het standpunt. De druk om ermee te komen werd steeds groter. In maart zei hoogleraar gezondheidsrecht Joep Hubben dat het standpunt te lang op zich liet wachten. Hubben is voorzitter van de commissie van juristen (en artsen) bij wie dokters levensbeëindiging van een baby moeten melden. Hij verbaasde zich erover dat neonatologen in 2011 en 2012 niet één levensbeëindiging van een pasgeborene bij hem hadden gemeld. „Want het gebeurt wel degelijk”, zei Hubben. Mogelijk melden dokters het niet uit angst om strafrechtelijk vervolgd te worden.

Ook volgens forensisch arts Wilma Duijst gebeurt het wel degelijk dat neonatologen besluiten het leven van een baby te beëindigen. „Waarom hebben dokters anders een richtlijn nodig? Als het maar één geval was per jaar, of per twee jaar, is een standpunt niet nodig. Nee, het is een dilemma waar ze vaker voor staan en daarom wilden ze handvatten.” Duijst is voorzitter van het Nederlands Forensisch Genootschap dat de lijkschouwers vertegenwoordigt.

Sinds drie jaar moet het lijk van elk kind dat overlijdt, worden bekeken door een forensisch arts. Aanleiding voor die wetswijziging was ondermeer dat justitie per kind wil beoordelen of kindermishandeling misschien de doodsoorzaak is geweest. Ook de baby’s met ernstige afwijkingen, van wie de dokter het leven beëindigt, komen dus na de dood bij een lijkschouwer. Die beoordeelt of de dood ‘natuurlijk’ was en meldt die baby’s bij de ‘Centrale deskundigen commissie’ van justitie. Die beoordeelt elke casus en adviseert Justitie.

Het aantal gevallen van levensbeëindiging bij baby’s werd nooit officieel in kaart gebracht. Toch is het volgens alle deskundigen wel sterk afgenomen sinds 2007. Toen werd de 20-weken echo ingevoerd voor alle zwangere vrouwen. Op die echo zijn ernstige afwijkingen te zien, zoals een open rug of hartafwijking of ontbrekende nieren. Sindsdien is het aantal zwangerschapsafbrekingen na 20 weken zwangerschap (en vóór 24 weken) elk jaar gestegen. De laatste cijfers gaan over 2011 – toen werden ruim 300 zwangerschappen afgebroken na de 20-weken echo.

Toch worden niet alle afwijkingen tijdig gezien; soms blijkt na de geboorte het kind tóch ernstig ziek te zijn. Voor die situaties is het standpunt van de KNMG bedoeld.

De KNMG stelt dat als de dokter de beademing stopt, op medische gronden, dat een ‘natuurlijke’ dood is. Want de kunstmatige beademing (die wordt stopgezet) is een ingreep. Maar om de benauwdheid van de baby te voorkomen, dienen ze meestal ook spierverslappers toe waardoor het kind snel overlijdt.

Volgens Duijst ís dat geen natuurlijke dood. „Iedereen zou sterven wanneer de beademing wordt stopgezet én er spierverslappers worden toegediend.”