Weg uit Afghanistan

Met het beëindigen van de veelbesproken politietrainingsmissie in Kunduz, aanstaande maandag, komt ook een einde aan acht jaar grootschalige Nederlandse militaire betrokkenheid bij Afghanistan. Daarmee wordt een periode afgesloten waarop met gemengde gevoelens kan worden teruggekeken.

Militair gesproken heeft Nederland in verschillende vormen een goede en respectabele prestatie geleverd. Bij de wijze waarop de binnenlandse politiek zich in de kwestie Afghanistan heeft gemanifesteerd, kunnen daarentegen wel de nodige vraagtekens worden gezet.

De Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan dateert al vanaf 2001 met bescheiden steun aan operatie Enduring Freedom, die een reactie was op de door Al-Qaeda uitgevoerde terreuraanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. Dat Nederland hieraan meedeed, vloeide voort uit bondgenootschappelijke verdragsverplichtingen. Omvangrijk werd het pas in 2006 toen Nederland als onderdeel van de door de NAVO geleide International Secrurity Assistance Force (ISAF) missie het commando kreeg in de zuidelijke Afghaanse provincie Uruzgan.

De bedoeling was dat Nederland twee jaar in Uruzgan zou zitten, het werden er uiteindelijk vier. Het kostte 25 Nederlandse militairen het leven; een cijfer dat het risico van de operatie weerspiegelt. Wat in de voorbereiding door menig politicus eufemistisch werd omschreven als een ‘opbouwmissie’, bleek in de prakrijk een heuse en rauwe vechtmissie. Daarnaast heeft Nederland wel degelijk bijgedragen aan enige ontwikkeling van het gebied.

De betrekkelijkheid hiervan kwam twee weken geleden naar voren in een reportage in deze krant, waarin stond beschreven hoe een aantal met Nederlandse steun opgezette projecten in Uruzgan al ten einde was gekomen.

Maar ook hier geldt het glas-half-vol-glas-half-leeg verhaal. Dankzij de Nederlandse inzet gaan er nu in deze provincie meisjes naar school en is bijvoorbeeld een weg aangelegd die voor de lokale economie belangrijk is.

Bescheiden resultaten, die in elk geval de animo bij de politiek voor de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan niet heeft vergroot. Dit leidde in 2010 tot de beschamende discussie over verlenging van de missie, waarbij als enig argument gold dat twee jaar eerder de afspraak was gemaakt dat Nederland tot 2010 in Uruzgan zou blijven. Hoe in zijn totaliteit binnen de NAVO – als uitvoerder trouwens van een VN-operatie – over het verdere verloop van de activiteiten in Afghanistan werd gedacht, deed eigenlijk niet ter zake. Het brede debat over nut en noodzaak van de interventie van de internationale gemeenschap in Afghanistan is nauwelijks gevoerd. Binnenlandse politiek voerde de boventoon met uiteindelijk dan ook een binnenlandse kabinetscrisis.

Nog meer ontluisterend was de politieke aanloop naar de missie in Kunduz waar maandag een punt achter wordt gezet. Om te voorkomen dat Nederland volledig in de neutraliteitsstand zou komen te staan, werd voor nieuwe aanwezigheid in Afghanistan gekozen in de vorm van een beperkte bijdrage door middel van een politietrainingsmissie in de door de Duitsers gecontroleerde provincie.

Het kabinet kon er in de Tweede Kamer pas een meerderheid voor verkrijgen nadat op het meest gedetailleerde niveau afspraken waren gemaakt welke agenten er wel en niet getraind mochten worden. Er zijn dan ook vooral mensen niet opgeleid. Het gevolg: voor een bedrag van grofweg 300 miljoen euro had Nederland op 1 april van dit jaar 793 agenten afgeleverd. Nogal dure agenten dus.

Afghanistan betekende voor Nederland in militaire zin een terugkeer op het internationale toneel na het drama van Srebrenica. Het was in Uruzgan tevens de grootste Nederlandse militaire uitzending sinds de Koreaanse oorlog van de jaren vijftig. Nederland voldeed hiermee aan zijn eigen grondwettelijke opdracht om de internationale rechtsorde te bevorderen.

Dat dit geen vanzelfsprekendheid is, bewijst het moeizame en gefragmenteerde nationale politieke debat over deze operaties. Als er een les kan worden getrokken uit de Afghaanse ervaringen is het dan ook allereerst op dit vlak. Internationaal verantwoordelijkheid willen dragen, vereist oog voor de internationale dimensie. Dit verhoudt zich moeilijk met het micromanagement van het Binnenhof.