Opinie

Met de rug naar de zon

Foto Tom Sandars
Foto Tom Sandars

De amateuronderzoeker ging naar de Ardennen om te kijken wat je zag of niet zag van de June gap. Maar midden in de bossen stuitte hij op een fabriek die landbouwplastic recycleerde, hij verloor zijn kaart en zijn bril en werd niet alleen door duizenden knutjes maar ook door een slechtgehumeurde oude hond gebeten. Daarna nog het onweer, de blubber en de gezwollen beken. Weer thuis bedacht hij dat hij had vergeten op de June gap te letten.

Beware the June Gap’, heet het op internet. Het begrip leeft meer in Engeland dan in Nederland en sommige Engelsen geloven zelfs dat het alleen in Engeland en Ierland bestaat – zie Wikipedia. De June gap is de periode tussen lente en zomer waarin de voorjaarsbloeiers zijn uitgebloeid maar de zomerbloemen zich nog niet uit het opgeschoten gras hebben geworsteld, denken tuinliefhebbers.

Dat is niet zo. De June gap is een begrip uit de imkerij. Het is een korte periode in juni waarin de voedingsplanten waarvan de bijen in het voorjaar leefden zijn verlept en de voedingsplanten van de zomer nog niet in bloei zijn gekomen. Het gaat dus om een tekort aan nectar en stuifmeel en imkers kunnen zich daar erg bezorgd over maken. Of je er in de natuur sowieso iets van te zien krijgt is de vraag: wat doet een bij zonder nectar en stuifmeel? Het gat is inmiddels gesloten, de linden bloeien weer en het regent dode hommels als vanouds.

Ook met ander floristische voornemens ging het niet goed. Uit vorige tochten, die meestal rond 30 april plaatsvonden, was een vage herinnering bewaard gebleven aan een veld bosanemonen die allemaal hun hoofdjes dezelfde kant op hadden gekeerd, de kant op van de zon die op dat moment langzaam onderging. ’t Was echt heel overtuigend en automatisch rees de vraag hoe dat ’s nachts moest aflopen. Gingen al die hoofdjes bij zonsopgang met een ruk terug naar het oosten? Dat moest deze keer ook eens onderzocht worden.

Maar de bosanemonen waren uitgebloeid, net als de sleedoorn en de sleutelbloemen, en bloemen die hetzelfde kunstje kenden kwamen niet direct in beeld. Je ziet het pas als ze het allemaal tegelijk doen, natuurlijk. Zo rees zelfs twijfel aan de oude waarneming.

Weliswaar bevestigen populaire internetbronnen het gedraai van de bosanemoon, maar die bevestigen wel meer. De wetenschap zelf had in dit verband opvallend weinig over de bosanemoon te melden. Wel is er een andere anemoon, Anemone rivularis, die het kunstje kent. Deze ranonkelachtige, die veel lijkt op onze bosanemoon (A. nemorosa) komt voor in de Himalaya en haar gedrag is door Shu Zhang en andere Chinese botanici besproken in Plant Ecology (2010). Het volgen van de zon, de sun-tracking of solar-tracking, wordt aangeduid met de vakterm heliotropie of heliotropisme, en dat wordt weer als een speciaal geval van fototropie beschouwd. Met het trefwoord heliotropism wijst Google Scholar de weg naar diverse plantensoorten en -families die eraan doen, het schijnt vooral voor te komen onder bewoners van koude gebieden: de bergen en de hogere geografische breedten, tot ver boven de poolcirkel. De sun-tracking is functioneel: in bloemen die op de zon gericht blijven is de temperatuur hoger dan in andere bloemen, het verschil kan wel 2 graden Celsius zijn. De warmte behaagt insekten en bevordert stuifmeelvorming, zaadzetting en noem maar op.

Wat een bosanemoon overkomt als ’s avonds de zon ondergaat stond nergens expliciet beschreven. En wat de gele papavers van Noord-Groenland doormaken die volgens Per Mølgaard in Arctic and Alpine Research (1989) zonder onderbreking de middernachtzon volgen, daar wil je maar liever niet aan denken.

Een goed overzicht van de wilde planten binnen de Benelux die aan heliotropisme doen ontbreekt. Volgens Shu Zhang van hierboven komt het voor binnen de ranonkelfamilie (boterbloemen en anemonen), de windefamilie (hagewinde), onder rozen en papavers en onder de samengesteldbloemigen van het soort waartoe ook de goudsbloem en de zonnebloem behoort.

Het heliotropisme van de gekweekte zonnebloem (Helianthus annuus) is natuurlijk het best bekend (‘les tournesols suivent la course du soleil’) en dat is ongelukkig genoeg want het bestaat niet. De zonnebloembloemen draaien niet met de zon mee, dat doen alleen de zonnebloembladeren en de nog gesloten bloemknoppen. De bloemen zelf staan volgens de literatuur meestal permanent op het oosten gericht – men zou daar eens op kunnen letten deze zomer. Zonnebloemen zijn een levend kompas, schreef de Sovjet-onderzoeker Gennady Polikarpov al in 1978 in Nature.

Wel, van heliotropisch onderzoek kwam het ook al niet in de Ardennen. In feite kwam het niet verder dan gepeins over de vraag waarom de kleurcombinatie blauw-groen er in de kunst altijd zo slecht afkwam. Blauw en groen vloeken, kregen kinderen vroeger van hun tekenleraar te horen. ‘Blauw en groen is boerenfatsoen’. En buiten Nederland was het niet beter. ‘Grün und Blau schmückt die Sau’. ‘Blue and green should never be seen except upon an Irish queen’. Alleen zeugen en Ierse koninginnen dragen blauw-met-groen.

En kijk dan naar de Ardenner bermen vol ereprijs (Veronica) en zenegroen (Ajuga), vergeet-me-nietjes (Myosotis) en klokjes (Campanula). Steeds knalblauwe bloemen tussen knalgroen gras, maar zonder dat het pijn doet aan de ogen of andere onprettige gevoelens opwekt. Wat werd er toch niet goed gevonden aan de combinatie?

Ook daar moet de lezer maar eens over nadenken. AW-naspeuringen wisten het vooroordeel terug te brengen tot 1810 toen Goethe in zijn Zur Farbenlehre noteerde dat blauw en groen altijd iets platvloers-weerzinwekkends hebben en dat onze goede voorvaderen de combinatie daarom een narrenkleur noemden. Narrenfarbe! Vorfahren! En kijk dan weer eens naar die vergeet-mij-nietjes in de berm. Ze waren niet goed wijs.