Kunduz werd nooit serieus genomen

Het vertrek uit Uruzgan heeft de reputatie van Nederland in de wereld geschaad. De volgende missie, naar Kunduz, heeft de schade maar ten dele kunnen herstellen.

Natuurlijk, de Nederlandse missies in Afghanistan waren bedoeld om de arme bevolking te helpen hun land op te bouwen. En om, na de aanslagen van 11 september 2001, terrorisme bij de wortel aan te pakken. Zo is de militaire aanwezigheid van NAVO-landen het afgelopen decennium verkocht: Afghanistan heeft ons nodig en de hele wereld wordt er veiliger van.

Maar vecht- en vredesmissies dienen nog een even belangrijk doel: internationale reputatie. Wat dat betreft had Nederland grote stappen gezet door in 2006 als zogeheten lead nation de gewelddadige zuidelijke provincie Uruzgan voor zijn rekening te nemen. Een belangrijke, omvangrijke en gevaarlijke missie waarmee Nederland internationaal veel goodwill opbouwde.

Die leek het in één keer te verspelen toen het kabinet-Balkenende IV in februari 2010 viel na ruzie over Uruzgan. Niet alleen dreigde Nederland zich als eerste en enige NAVO-bondgenoot terug te trekken uit Afghanistan. Het schoffeerde ook secretaris-generaal Anders Fogh Rasmussen door eerder de suggestie te wekken dat de missie verlengd zou worden.

„Dat nieuws ging de wereld over. Onze reputatie stond op het spel”, zegt D66-leider Alexander Pechtold. Hij diende met GroenLinks-Kamerlid Mariko Peters een motie in die de demissionaire regering opriep de schade te beperken. „We moesten ons vlaggetje op de kaart van Afghanistan houden”, zegt Pechtold.

Het leidde een jaar later tot de politietrainingsmissie in het noordelijke Kunduz. Nu die maandag ten einde loopt, dringt de vraag zich op of het genoeg was om de internationale status te herstellen.

Rob de Wijk, deskundige op het gebied van internationale betrekkingen en veiligheidszaken, vindt dat de inzet zwaar onvoldoende was. „Het is internationaal niet serieus genomen. De missie werd volledig gecreëerd vanuit de Haagse werkelijkheid, met allerlei restricties.”

De ‘Kunduz-coalitie’ van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie bepaalde dat alleen één type agenten uit één provincie mocht worden geschoold en dat zij niet mochten vechten, zoals voor de Afghaanse politie gebruikelijk is. Daarom is in binnen- en buitenland lacherig over de missie gedaan.

Ook Ko Colijn, van instituut Clingendael, zegt dat internationaal „schouderophalend” is gereageerd op de politietraining. „Bij de NAVO worden landen afgerekend op de risico’s die ze durven te nemen, zoals Nederland in Uruzgan had gedaan.” De krijgsmacht verloor in de eerste jaren 25 militairen en telde honderden gewonden. Voor Kunduz gold die ‘sneuvelbereidheid’ niet.

Het is nauwelijks aan te tonen wat het afbrokkelen van internationaal aanzien concreet betekent. Minder handel? Minder toegang tot de groten der aarde? Uit via WikiLeaks gelekte documenten van Amerikaanse diplomaten is gebleken dat Nederland door uit Uruzgan te vertrekken zijn positie bij de G20 van industrielanden verspeelde.

Maar reputatie blijft iets ongrijpbaars. „Er is geen systeem van Michelin-sterren”, zegt Colijn. Wel zijn er ranglijstjes van allerlei internationale instituten. Daarop doet Nederland het, mede door bezuinigingen op defensie en ontwikkelingssamenwerking, steeds slechter. Colijn: „Ook dat telt in de geopolitieke pikorde.”

Toch herstelde de Kunduz-missie de Nederlandse positie wel een beetje, zegt Kurt Volker. Hij was onder George W. Bush de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO. „Destijds stond het uitgangspunt nog overeind dat alle lidstaten in Afghanistan hun bijdrage moesten leveren. Als de Nederlanders na het beëindigen van de gevechtsmissie helemaal vertrokken waren, was dat opgevat als het in de steek laten van de bondgenoten.”

Henning Riecke, van de denktank Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik, is nog positiever. De keuze voor Kunduz had zelfs een mooie internationale bijvangst, zegt hij. Het verbeterde de relatie met het Duitse leger, dat in de noordelijke provincie de leiding heeft. „Duitsland en Nederland hebben vaker samengewerkt en het is opnieuw nuttig en effectief gebleken.” Mogelijk heeft de soepele samenwerking in Afghanistan ertoe bijgedragen, zegt hij, dat de ministers van Defensie van Duitsland en Nederland dit voorjaar structurele militaire samenwerking aankondigden.

De internationale bezwaren tegen het mandaat van de politietrainingsmissie waren vergelijkbaar met die tegen de Duitse trainingen. Riecke: „Aanvankelijk was er kritiek dat onze aanpak te langzaam en te omslachtig was. Er werden grappen gemaakt dat de Duitsers Afghanen opleidden om wijkagent in Wiesbaden te worden, en daar zat wel iets in. Maar er is veel verbeterd.” De NAVO maakt nu plannen om na het vertrek van de gevechtstroepen uit Afghanistan wel leger en politie te blijven scholen. De Duits-Nederlandse inzet in het noorden dient daartoe als voorbeeld.

Toch blijven De Wijk en Colijn teleurgesteld. En ze maken zich zorgen over de internationale verhoudingen na Afghanistan. Telt Nederland nog wel mee? Het aanbod van het kabinet om deel te nemen aan de Europese trainingsmissie in Mali werd deze maand afgeslagen. „Nederland is eerder niet betrouwbaar gebleken en heeft dus niet meer vanzelfsprekend een positie”, zegt Colijn. De Wijk: „Niet alleen krijgt Nederland het dus niet meer voor elkaar om de juiste inzet op de been te krijgen. Ze doen in Brussel ook geen moeite meer om ons in te passen. Dat geeft aan hoe we zijn afgedaald.”