Het verbreken van de ketenen klinkt alom

Amsterdam herdenkt 150 jaar afschaffing van de slavernij met tal van kleine exposities. Van oude prenten tot hedendaagse kunst, en vreemde accenten in een scheepsruim.

De waarschuwing staat op het eerste bord van de openluchttentoonstelling bij het Amsterdamse stadhuis. „Deze expositie bevat beelden die als schokkend kunnen worden ervaren.” Bij de entree van de tentoonstelling in Het Scheepvaartmuseum hangt een bordje. „Beste gast, de inhoud van deze tentoonstelling kan aangrijpend zijn. Wij adviseren een leeftijd van 8 jaar. Kinderen onder begeleiding.”

Slavernij is niet fijn om te zien. Maar onontkoombaar deze zomer. Vooral in Amsterdam. De Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013 ontving een subsidie van 750.000 euro van de stad, vandaar. Voorzitter Joan Ferrier hoopt dat de rest van het land volgt. Op negen Amsterdamse locaties zijn exposities te zien over het Nederlandse slavernijverleden. De afschaffing van slavernij door Nederland, 150 jaar geleden, gaat niet ongemerkt voorbij. Keti Koti, het verbreken van de ketenen, klinkt alom.

Dat is wel eens anders geweest. Tot aan het begin van deze eeuw kwam slavernij buiten de Surinaamse gemeenschap nauwelijks ter sprake. Met de oprichting van het nationaal slavernijmonument in het Oosterpark en kenniscentrum NiNsee – en het debat daarover – verschoof de perceptie over de betekenis van slavernij in de Nederlandse geschiedenis. Geen afgesloten hoofdstuk, maar een verleden dat doorwerkt in de huidige verhoudingen tussen wit en zwart. Misschien, beseft een groeiend aantal witte Nederlanders, is het niet zo heel raar om de discussies over Zwarte Piet en de vele ontrouwe Surinaamse en Antilliaanse vaders te koppelen aan de slavernij.

De connectie met nu is het meest opvallende gemeenschappelijke kenmerk van de tentoonstellingen. Bijna allemaal eindigen ze in het heden. De verleiding om te laten zien hoe actueel het thema is, is te sterk. Immers: vrouwenhandel, kinderarbeid. Het meest expliciet is Slavernij toen en nu, de tien reizende borden die nu bij de Stopera staan. Fotograaf Martijn de Vries toont duistere, meest anonieme portretten van mensen die worden uitgebuit.

Het Scheepvaartmuseum laat bezoekers aan het slot van de tentoonstelling stemmen over stellingen, nadat sprekers argumenten hebben aangevoerd. Het is de enige plaats waar de link met het heden wordt gerelativeerd. ‘Moderne slavernij’ klinkt goed, maar is een misleidende term. Anders dan toen is er nu geen sprake van legaal overheidshandelen en religieuze rechtvaardiging voor racisme. Nog een overeenkomst: er lijkt eindelijk consensus bereikt te zijn over de omvang van het Nederlandse aandeel in de slavenhandel. Na jarenlange strijd tussen onderzoekers spreken verschillende tentoonstellingen nu over 550.000 Afrikanen die door Nederlandse schepen in de 17de en 18de eeuw naar het Caribisch gebied zijn gebracht. In totaal gaat het volgens het Amsterdam Museum om 12,5 miljoen mensen, bij de Bijzondere Collecties van de UvA houden ze het nog op 11 miljoen slachtoffers van de trans-Atlantische slavenhandel. Nog, omdat het aantal recent omhoog is gegaan. Hoe dan ook, het Nederlandse aandeel is bescheiden in vergelijking met Engeland (3,2 miljoen slaven vervoerd) en koploper Portugal (5,8 miljoen). Deze aantallen meldt Het Scheepvaartmuseum.

De prenten van de Schotse kapitein Stedman zijn onvermijdelijk in elke expositie over slavernij. Verrassender is een andere vormparallel. De opvallend geklede man in een straatinterview van Jörgen en Melody Raymann blijkt de receptionist van de Bijzondere Collecties te zijn. Het Amsterdam Museum citeert een Surinaamse medewerkster van de eigen bedrijfskantine. Waarom ver zoeken als de nazaten dichtbij zijn?

Natuurlijk zijn er ook verschillen. Bijzondere Collecties van de UvA biedt de beste introductie tot het onderwerp. In drie zalen met niet meer dan documenten en prenten ontstaat een breed beeld met veel informatie. Nieuw is de aandacht voor argumenten van de abolitionisten en voor de erotische fascinatie van de witte man voor jonge halfbloedslavinnen. De eersten maakten gebruik van het laatste: „De lichte huidskleur vergemakkelijkte identificatie en jeugdige schoonheid wekte sympathie.”

De tegenhanger, wat vorm betreft, is De Zwarte Bladzijde in Het Scheepvaartmuseum, de enige kindvriendelijke en multimediale expositie. De belofte, een reconstructie van de lotgevallen van het slavenschip Leusden, wordt echter niet waargemaakt. Meevoelen met de slaven in het ruim wordt bemoeilijkt door hun vreemde accenten, de nagespeelde kapitein is oubollig. De tentoonstelling blijft steken tussen algemene informatie enerzijds en de casus van slavenschip Leusden anderzijds.

Museum Amsterdam voegde tekstborden toe aan de Gouden Eeuw-tentoonstelling, het Stadsarchief toont enkele slecht toegelichte archiefstukken, met een website die veel meer biedt. Een buitenbeentje is het CBK Zuidoost, waar werk van hedendaagse Surinaamse en Antilliaanse kunstenaars te zien is.

Opvallend afwezig op de tentoonstellingen is het debat over excuses. Dat debat leeft nog volop, bleek donderdag bij een door de ChristenUnie georganiseerd ‘rondetafelgesprek’ in de Tweede Kamer. Joan Ferrier van de Stichting Herdenking Slavernijverleden pleitte daar voor formele excuses van de Nederlandse staat. „Het mag ook een ander woord zijn, als de staat het verleden maar erkent. Pijnlijk is de ontkenning van de geschiedenis.” Het moet verder gaan dan de ‘diepe spijt’ die toenmalig minster Van Boxtel in 2001 in Durban uitsprak, en het moet een vervolg krijgen in het onderwijs.

Aanstaande maandag is het koninklijk paar aanwezig bij de herdenking in het Oosterpark en spreekt minister Asscher namens de regering. Wat verwacht Ferrier van zijn speech? „Ik hoop van harte dat hij de kwestie zeer serieus neemt.” Bang dat slavernij na dit herdenkingsjaar weer van de agenda verdwijnt is Ferrier niet. „Volgend jaar is het 200 jaar geleden dat de slavenhandel werd verboden.”