De slavernijgeschiedenis is niet zwart-wit

Op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij af. Historici hebben het slavenleven in detail gereconstrueerd. Zij nuanceren het beeld van slaven als slachtoffers van een wreed systeem. Nazaten hebben daar moeite mee.

‘Een zwarte dichter las met veel hartstocht een lang poëem voor, waarin aan de lopende band zwarte slavinnen werden verkracht door kapiteins van slavenschepen. Dat zou hij hebben gelezen in mijn oratie. Maar dat staat er helemaal niet in, zei ik. Ik kreeg de volle laag uit de zaal: ik was een ‘koloniale historicus’ en zo meer. Op een gegeven moment liet ik me ontvallen: witte wetenschap, zwarte emotie. Toen had ik beter weg kunnen gaan, maar ik heb het uitgezeten.”

Henk den Heijer, hoogleraar maritieme geschiedenis in Leiden, vertelt over een debatavond in De Rode Hoed, in november 2011. Aanleiding was de NTR-serie De slavernij. Den Heijer doet onderzoek in de archieven van de Middelburgse Commercie Compagnie. Dat was in de tweede helft van de achttiende eeuw de grootste Nederlandse onderneming die handel dreef in slaven. Hij treedt ook op in de NTR-serie.

In Elmina, een oud slavenfort aan de kust van Ghana, wordt hij geconfronteerd met het verhaal dat de gouverneur regelmatig slavinnen boven liet komen voor zijn gerief. „Dat ben ik niet tegengekomen in de bronnen”, zegt Den Heijer. Die uitspraak liet volgens critici van de serie zien dat de makers de gruwelen van de slavenhandel bewust bagatelliseren. En dat ‘witte’ onderzoekers zich blind staren op koloniale bronnen. Den Heijer nu: „Ik vertelde voor de camera dat Europeanen in Elmina zwarte vrouwen hadden, en bij hen kinderen kregen. Die werden ook geëcht en kregen een erfenis. In zo’n samenleving is het voor mij niet goed denkbaar dat verkrachting van slavinnen lopendebandwerk was. Maar dat is er uitgeknipt.”

Als één thema illustreert dat (geschied)wetenschap niet waardevrij is, dan is het de slavernij. Dat pijnlijke onderwerp kwam relatief laat op de onderzoeksagenda’s van Nederlandse historici. Johannes Postma en Piet Emmer waren hier de pioniers, vanaf eind jaren zeventig. Dat het onderzoek zo lang op zich liet wachten schrijft Emmer toe aan ‘het dekolonisatietrauma’. „Alles wat maar iets te maken had met het overzeese verleden van Nederland stond na het verlies van Indonesië in een kwaad daglicht.” In Amerika, waar altijd veel nazaten van slaven hebben gewoond, is het onderzoek naar het slavernijverleden twintig jaar eerder op gang gekomen.

Het Nederlandse onderzoek begon met handelsgeschiedenissen: opbrengsten, aantallen schepen en slaven. Emmer noemde Postma ooit gekscherend ‘de boekhouder van de Nederlandse slavenhandel’. Emmer schreef zelf twee standaardwerken waarin hij de resultaten van veertig jaar onderzoek samenvatte.

In de jaren tachtig schreef de Utrechtse antropoloog Wim Hoogbergen een uitvoerige studie over de Marronoorlogen in Suriname, de strijd van slaven die de plantages ontvluchtten en een guerrilla voerden tegen het koloniale gezag. In de jaren negentig verschoof het accent naar het microniveau: het slavenschip, de plantage. Sindsdien is de studie van het Nederlandse slavernijverleden in een stroomversnelling geraakt. De snel gegroeide groep Afro-Nederlanders eiste zijn plaats op in de Nederlandse geschiedenis.

In die nieuwere studies hebben Caraïbische onderzoekers een eigen inbreng. En ook een eigen motivatie. „Er is door de koloniale geschiedenis heen een negatieve beeldvorming over mensen van Afrikaanse afkomst”, zegt historicus Frank Dragtenstein. „Hoe kwam men tot zulke stereotypen?” Dragtenstein schreef over Marrons die in het Surinaamse oerwoud een zelfstandig bestaan opbouwden. Zijn meest recente studie gaat over Boston Band, een in Jamaica geboren clanhoofd van de Ndyuka, een van de Surinaamse Marrongemeenschappen, die de blanke kolonisten tot een vredesverdrag dwongen. Boston Band was de schrijver van brieven die de Ndyuka op de plantages achterlieten. Hij is lang als onbeduidende figuur gezien. Bij Dragtenstein verandert hij van een postbezorger in een intelligente pendeldiplomaat, die weet hoe het politieke spel met de blanke kolonisten moet worden gespeeld.

Dragtenstein vindt het belangrijk dat slaven „een gezicht krijgen”. In zijn boek over Boston Band citeert hij uit een (door een kolonist genotuleerde) boodschap van Marronleider Quacoe, die zich op welsprekende wijze beklaagt over „de mishandelingen van Blanke, en voornaamelijk de onachtzaamheid en goed vertrouwen van veele Eigenaaren omtrent hunne Directeurs, die doorgaans zeer verbitterd en kwaadaartig op de Slaaven vallen. (...) Een ander drinkt zich den heelen dag vol, en dronken mishandelt ons naar zijn goedvinden, zoent onze wijven, verwaarloost de Zieken, de wat dies meer is.”

Het waren de historici Alex van Stipriaan en Gert Oostindie, nu beiden hoogleraar, die als eersten een dieper inzicht gaven in het plantageleven in Suriname, aan de hand van nauwgezet archiefonderzoek. Oostindie nuanceert ook het beeld van het slavenregime in Suriname dat als het meest wrede in de regio gold. Het werd hem door sommige nazaten niet in dank afgenomen. Dat wrede beeld was ontstaan door een boek uit 1796 van de Schots-Nederlandse militair John Gabriel Stedman, die in dienst van het Nederlandse leger jacht maakte op weglopers. Zijn verslag bevat tekeningen van gruwelijke bestraffingen van slaven, prenten die iconen werden van het slavenleven in Suriname.

Van Stipriaan laat zien dat slaven allengs meer invloed kregen op hun lot. Hij reconstrueerde het slavenleven op basis van onderzoek in de archieven van alle ruim vierhonderd Surinaamse plantages.

Tijdens het debat in de Rode Hoed werd de vraag gesteld of je de ervaringen van zwarten wel kunt destilleren uit ‘witte’ bronnen, zoals de boekhouding van plantages. Van Stipriaan denkt van wel. „Door tegendraads te lezen. Je te verplaatsen in de ander. Wat staat er als je het zo leest? Ik heb boekhoudingen gebruikt om hele gezinnen te reconstrueren. Ik heb de geboorte-intervallen uitgerekend, hoe lang de vruchtbare leeftijd is. Een heel aantal vrouwen heeft geen kinderen. Kwam dat door de medische omstandigheden of was dat bewust? Pleegden ze abortus? Dat kon, met giftige vruchten. Soms kom je niet veel verder dan alleen de vraag te stellen. Maar dat is wél tegendraads lezen, want je kijkt niet alleen naar wat er gebeurd is, maar ook naar wat er niet gebeurd is.”

De krachtsverhoudingen in de plantagekolonie Suriname evolueren, zeker na de afschaffing van de slavenhandel in 1814. De slavernij in 1750 is heel anders dan die in 1850: de speelruimte van slaven neemt toe. In de geschiedschrijving over Caraïbische plantage-economieën kregen spectaculaire slavenopstanden en de strijd van marrons lang de meeste aandacht. Het subtiele slavenverzet bleef onderbelicht. Zulk verzet was er veelvuldig. Het ging vaak om conflicten over de zwaarte van de arbeid, het uitdelen van goederen, het verbieden van danspartijen of het overplaatsen van slaven naar een andere plantage. Die conflicten werden niet zelden in het voordeel van slaven beslecht. Van Stipriaan citeert uit een brief van een plantagebeheerder die aan de in Nederland wonende eigenaar schrijft dat hij de directeur heeft ontslagen omdat „hij bij de negermagt in minachting was geraakt”.

Van Stipriaan ziet een rechtstreeks verband tussen deze veranderde krachtsverhoudingen en de uiteindelijke afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. „De emancipatie van de slaven was altijd een Europees verhaal: dankzij activisten in Europa is de slavernij afgeschaft. Natuurlijk heeft dat een rol gespeeld, maar de ontwikkelingen in Suriname en op de Antillen zijn minstens zo belangrijk. Een brief aan de Staten Generaal uit Suriname, afgedrukt in de Rotterdamsche Courant uit de jaren ’40 van de 19de eeuw, zegt dat letterlijk. ‘Het is intussen zo geworden dat de slaven de meesters de baas zijn geworden. Als wij nu niet tot afschaffing overgaan, zal het hier een bloedbad worden’. Dat geeft aan hoezeer het systeem dan al is ondermijnd.”

Econoom en historicus Piet Emmer ziet het anders: „Wat de doorslag gaf, waren de batige saldi uit Java.” Daarmee konden de slaven door de overheid worden vrijgekocht. Overigens vinden de meeste onderzoekers dat de afschaffing van slavernij het resultaat was van een combinatie van factoren: economische en politieke overwegingen in eigen land én veranderde verhoudingen in de West.

Hoe de Trans-Atlantische slaventransporten eruit zagen, wordt ook geleidelijk duidelijker. Van Stipriaan: „Nederlandse musea hangen vol met schilderijen van slavenschepen op de rede, maar je ziet nergens beelden van het ruim.” In die leemte wil Henk den Heijer voorzien. Hij werkt aan een grote studie waarin hij ‘het slavenschip’ reconstrueert als complexe samenleving – officieren, bemanning, slaven – aan de hand van het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie. Dat unieke archief bevat scheepsjournalen, negotieboeken (over transacties met slaven), monsterrollen en brieven van kapiteins.

In zijn oratie (april 2011), waarin hij een tussenstand opmaakte van dat onderzoek, onderstreepte Den Heijer dat slaven levend de overkant moesten halen. „Opstanden aan boord waren er, en die wijzen op geweld en verkrachting. Toch blijkt uit de Zeeuwse stukken dat kapiteins van slavenschepen waren onderworpen aan een streng redersregime. Ik vond voorbeelden van gezagvoerders die wegens mishandeling van slaven ter verantwoording zijn geroepen door hun medeofficieren – want die waren beducht voor slavenopstanden aan boord – en die later door hun broodheren zijn ontslagen. Dat betekent niet dat er geen misstanden waren, maar misbruik en onderdrukking waren geen schering en inslag.”

De Surinaamse econoom en ondernemer Armand Zunder vindt dat door studies over het ‘eigen’ leven van slaven de essentie van het slavernijsysteem onderbelicht raakt: een op winst gericht systeem van uitbuiting ten bate van kooplieden-bankiers en regenten in vooral Amsterdam. Zunder gebruikte hetzelfde cijfermateriaal als Van Stipriaan voor zijn dissertatie. Hij beperkte zich echter niet tot de winst- en verliesrekening van de plantages. Hij maakte als eerste een schatting van de economische betekenis die Suriname voor de Nederlandse economie had.

Emmer wil hier niet aan. „De meeste investeerders in Surinaamse stukken, leden verlies. Van de investeringsgolf aan het einde van de 18de eeuw – zo’n 30 miljoen gulden ging toen naar Suriname, 60 miljoen naar het hele West-Indische gebied – is maar een kwart teruggekomen. De compensatie voor de eigenaren van 300 gulden per slaaf bij de emancipatie in 1863 heeft maar een deel van de verliezen goedgemaakt. De meeste planters hadden hypotheken opgenomen, dus zodra de compensatiegelden werden uitbetaald, ging dat geld naar de schuldeisers.”

Volgens Zunder miskent Emmer de economische werkelijkheid, omdat hij maar een deel laat zien. Zunder keek naar de waarde van de producten die vanuit Suriname werden aangevoerd in de periode 1683-1940 en de economische activiteit in Nederland die hiermee verband hield. Het gaat niet alleen om de handel in koloniale waren (vooral suiker en koffie), maar ook om de ‘spin-off’ van bijvoorbeeld scheepsbouw en -reparatie, bank- en verzekeringswezen, beurshandel, en verwerkingsindustrie. Met zijn studie corrigeerde hij het bestaande beeld van Suriname als armlastige kolonie, die Nederland slechts begrotingssubsidies kostte. Zunder maakte als eerste ook een berekening voor herstelbetalingen op basis van „menselijk leed en economische uitmergeling” van Suriname. Hij zorgt, misschien ongewild, voor de terugkeer van de Surinamer (en de Antilliaan) als slachtoffer. Terwijl Van Stipriaan en Oostindie dat slachtofferschap juist nuanceren. Bij een deel van de Afro-Nederlandse gemeenschap leeft weerzin tegen deze nuanceringen.

Woordvoerder bij uitstek van deze onvrede is de Surinaams-Nederlandse publicist Dew Baboeram (van Hindostaanse afkomst). Onder de auteursnaam Sandew Hira ageert hij al jaren tegen het „wetenschappelijk kolonialisme”. Als zijn belangrijkste missie ziet hij Decolonizing the mind, de titel van een recent boek. Aan de universiteiten bestaat volgens Hira „een stroming die het kolonialisme legitimeert” en die weigert consequenties te trekken uit de internationale erkenning (door de VN in 2001) van slavernij als misdaad tegen de menselijkheid.

Hira zelf zet de zaken op scherp door de slavernij op één lijn te stellen met de Holocaust. „Beide”, zegt hij, „waren een van staatswege gesteunde, systematische vernietiging van mensenlevens. Bij de Joodse Holocaust werd die vernietiging doorgevoerd uit ideologische overwegingen, bij de slavernij was het doel geld verdienen, maar het gevolg was hetzelfde: massale vernietiging van mensenlevens”. Hij verwerpt het tegenargument dat de organisatoren en uitvoerders van de Holocaust zich ervan bewust waren dat ze handelden in strijd met internationale rechtsbeginselen en dat slavenhouders en -handelaren helemaal niet vonden dat ze immoreel of illegaal handelden. Hira: „Des te erger! De nazi’s hadden kennelijk nog enig moreel besef. Bij slavenhalers en slavenhouders was dat volstrekt afwezig.”

Hira en Emmer vormen in hun benadering twee uitersten. Emmer vindt het vellen van morele oordelen geen taak van de wetenschap. Hij wijst er bovendien op dat „slavernij, behalve in het Europa van na 1450, overal voorkwam. Europa was de uitzondering, de regel was slavernij.”

Nieuwe inzichten in de Nederlandse slavernijgeschiedenis behoren nog niet tot het collectieve geheugen van wit en zwart Nederland. „Wat nodig is, is blijvende aandacht voor de slavernij als een ‘wij-geschiedenis’, van alle Nederlanders”, zegt Aspha Bijnaar. De sociologe van Surinaamse komaf is onderzoeker/projectleider van het Nationaal Instituut Nederlandse slavernijgeschiedenis en erfenis (NiNsee). Of wat daar nog van over is. De oprichting van het instituut in 2001 met rijkssubsidie was een geste van de Nederlandse overheid. Net als de onthulling van het slavernijmonument in Amsterdam en de betuiging van ‘diepe spijt’ over de Nederlandse rol in de slavernij door de regering in dat jaar. Ook is het slavernijverleden opgenomen in de geschiedeniscanon. NiNsee wordt nu overeind gehouden door de gemeente Amsterdam.

„NiNsee is hard nodig”, onderstreept Bijnaar, „want er is de laatste jaren minder politieke ruimte voor multiculturalisme en erfgoed van nieuwkomers”. NiNsee is bekritiseerd omdat te weinig onderzoek zou zijn gedaan, maar daar is het niet voor opgericht, zegt Bijnaar. Het instituut moet een brug slaan tussen het wetenschappelijk onderzoek en het collectieve geheugen van witte en zwarte Nederlanders. Door het in de lucht houden van een website over slavernijgeschiedenis, samenstellen van lespakketten, tentoonstellingen, theatervoorstellingen en debatten.

Bijnaar schreef mee aan een boek over de sporen van het slavernijverleden in Nederland. Materieel erfgoed (gebouwen, documenten), immaterieel erfgoed (muziek, dans, rituelen) en mentaal erfgoed (van een religieus bepaald wereldbeeld en representaties van ‘de ander’ tot taboes en trauma’s) blijken op veel plaatsen aanwezig. Dat erfgoed moet nu, zegt Bijnaar, meer zichtbaar worden.

Volgens Bijnaar moeten kwesties die pijnlijk zijn voor nazaten van slaven niet uit de weg worden gegaan. Zoals de rol van Afrikanen bij de levering van slaven aan blanke handelaren. Ze legt ook de link naar moderne slavernij (vrouwenhandel, kindarbeid). Bijnaar: „Er leeft bij Surinamers en Antillianen de begrijpelijke angst dat door deze nuanceringen het leed van hun voorouders kleiner wordt gemaakt, maar ik vind het belangrijk om mensen te laten nadenken over iets wat ingewikkeld is. Want dát was de slavernij.”