Sizzling Sijsling blijft stunten

Igor Sijsling zit in een flow. Hij is een constante factor in het Nederlandse tennis. Het verslaan van grote namen moet „niet raar meer zijn”.

Het ABN Amro-toernooi in Rotterdam, februari 2012. Igor Sijsling was moe. Hij had in het Franse Quimper net een Challenger-toernooi (eerste divisie van het internationale tennis) gewonnen en hij zeurde iets over een treinrit vanuit Frankrijk die oncomfortabel was geweest. Hij verloor in de eerste ronde in Rotterdam van de Fin Jarkko Nieminen en zei nog dat hij liever geen coach had die hem „de hele tijd op de lip zit”. En hij mocht nog even opdraven voor een demonstratiepotje tegen publiekslieveling Roger Federer.

Dat was Sijsling: 151e van de wereld, 24 jaar en het halen van de tophonderd leek al een hele opgave.

En kijk Sijsling nu, krap anderhalf jaar later. In een technisch superieure partij in de tweede ronde van Wimbledon versloeg hij gistermiddag servicekanon Milos Raonic, de nummer vijftien van de wereld, in straight sets: 7-5, 6-4 en 7-6. De laatste keer dat een Nederlander iemand met een hogere ranking dan vijftien versloeg op een grandslamtoernooi was op de US Open in 2003, toen Sjeng Schalken de Duitser Rainer Schüttler uitschakelde in de vierde ronde. Andere tijden waren dat, toen Nederland nog iets voorstelde in het mannentennis.

Sijsling vierde zijn overwinning met een agressief ogend „wat, wat, wat!” richting zijn trainer, moeder en een vriend. Het was een goedbedoeld onderonsje. Want zijn trainer Joaquin Muñoz, die hij uitgerekend leerde kennen in die tijd dat hij zei geen al te aanwezige coach te willen hebben, is „de grootste factor in mijn opmars”, zei Sijsling eerder dit jaar in een interview met deze krant. „Hij zorgt ervoor dat ik hard werk. Ik ben van nature niet een hele harde werker, dus ik heb hem daar bij nodig, hij houdt me scherp. En hij geeft me veel zelfvertrouwen.”

Terug naar de winter van 2012. Dat was het moment waarop hij volgens hemzelf eindelijk zijn draai vond. „Ik weet nog dat ik me toen goed voelde en blij was met hoe ik speelde”, blikte Sijsling na de partij tegen Raonic terug. „Ik had iets gevonden waarvan ik dacht: dit is mijn spel. In feite speel ik nog steeds op die manier, daar voel me heel goed bij.”

Dat spel leunt op de goede service van de Amsterdammer. Toch heeft hij geen opslag zoals zijn tegenstander van gisteren. Het was bijna eng, zoals Raonic met nu en dan 220 kilometer per uur zijn eerste opslag over het net joeg. In zijn eerste rondepartij verwondde de Canadees er een ballenmeisje mee, tot huilens toe. Bij het inslaan dreunde Roanic de bal met zijn opslagen tegen het metalen scorebord achter Sijsling. Als een bokser die met een serie beuken op een bokszak laat zien over welke krachten hij beschikt.

Raonic begon zich aan het eind van de eerste set steeds meer te ergeren aan zichzelf. Hij won zijn servicegames moeilijker dan Sijsling. Meerdere keren maakte hij uit frustratie een slaande beweging met zijn racket richting het gras. Sijsling zag de onvrede bij zijn tegenstander. Hij bleef rustig, ook toen Raonic de regenspetters aangreep om de umpire tot een pauze aan te sporen. Na tien minuten rust – de regen zette niet door – maakte Sijsling de partij klinisch af in een tiebreak.

Zaterdag speelt hij tegen de Kroatisch topvijftig-speler Ivan Dodig. Bij een overwinning wordt Sijsling de eerste Nederlandse man in de vierde ronde van een grandslamtoernooi sinds 2004. Waarom niet? Hij zit in een flow. Hij stuntte in de laatste editie van het toernooi in Rotterdam door Jo-Wilfried Tsonga te verslaan, een toptien-speler. Met Robin Haase bereikte hij daarvóór al de dubbelfinale van de Australian Open. Sizzling Sijsling, grapten Britse tabloidjournalisten gisteren. Hij is hot.

Met zijn enkelhandige backhand heeft hij bovendien bij liefhebbers een streepje voor. Op het dakterras rond baan 18 keek Goran Ivanisevic toe. De Wimbledonwinnaar van 2001 was naar verluidt onder de indruk van Sijslings spel, maar merkte tegenover Sport 1-presentator en oud-prof Jacco Eltingh wel op dat hij dit nu week in week uit moet volhouden.

Maar Sijsling is al een jaar een constante factor in het Nederlandse tennislandschap. Sinds hij eind juli vorig jaar de tophonderd van de wereldranglijst binnendrong, is hij geleidelijk opgeklommen naar plek zestig. Nu moet het verslaan van hoger geplaatste tegenstanders „niet meer raar zijn”, prent Sijsling zich in. „Ik probeer nu niet te blij te zijn. Die verleiding is groot, want het is toch weer een grote naam die je verslaat. Dat moet de standaard zijn.”