Dromen met verduivelde gulheid

Twee Russische dichters, twee identieke lotgevallen. Geen pose, geen kunst, geen aanstellerij, maar een hunkering naar vrijheid in een leven van drank en droefenis en in klaagzangen over de liefde.

We beginnen vandaag met een rustig natuurtafereeltje. ‘Nacht’ heet het. ‘Kalmpjes soest de rivier. / ’t Donker bos ritselt niet. / En geen nachtegaal zingt, / en geen schreeuw geeft de spriet.’ We horen alleen het kabbelen van een beek. En zie: de maan schijnt. ‘En de maan giet alom / zilver uit op de streek.’

De dichter laat ons meekijken over de verzilverde plas, het verzilverde bos en het verzilverde gras. En daarna sluit hij af met nog maar eens de mededeling dat het nacht is, en stil, en vredig in de natuur. ‘En de maan giet alom / zilver uit op dit uur.’

Het is een onopvallend gedichtje, van een beginnende dichter, 17 jaar oud. In de bloemlezing die Kees Jiskoot maakte uit de poëzie van Sergej Jesenin (1895-1925) is goed te zien dat hij al gauw veel uitgesprokener wordt. Hij begint uitbundig de lof te zingen van het land en het landschap, vooral het boerenland en het boerenleven. ‘O land, vol treurigheden, O akkerland vol smart’. Alles klinkt hevig: ‘Jullie, lieve berkenbossen van me! / Aarde, jij! En jij, mijn zandwoestijn!’

Al gauw gaan ook de onderwerpen veranderen. In ‘Biecht van een hooligan’ komt een dichter aan het woord die, 25 jaar inmiddels, cynisch geworden is, ook na de in zijn ogen mislukte revolutie. ‘Vandaag heb ik verschrikkelijke zin / om uit het raam te pissen op de maan.’ Het is de biecht van iemand die het niet meer op de velden zoekt, maar aan de zelfkant. Hij wil ‘ratten roemen en bezingen.’

In hetzelfde genre hoort een lied waarin hij, 27 jaar oud, zijn teleurstellingen in kaart brengt. Jeugd, hartstocht, zwerversgeest, frisheid, leven – het is allemaal minder geworden. Rond dezelfde tijd schrijf hij een ‘Brief aan mijn moeder’, waarin hij haar (‘oudje van me’) probeert duidelijk te maken dat zij zich geen zorgen hoeft te maken om hem. Hij mag dan wel veel in het café zitten in de grote stad, maar hij is haar niet vergeten: ‘Zou ik dan zo’n zuiplap kunnen wezen, / dat ik zonder weerzien sterven zou?’

Arm en eenzaam

Al even schrijnend is de tegenhanger ervan, ‘Brief van moeder’, waarin zij haar zoon de mantel uitveegt, omdat hij zo’n zootje van zijn leven heeft gemaakt, en zijn ouders arm en eenzaam in het dorp heeft achtergelaten: ‘Mij bevalt totaal niet / dat je dichter bent, / [...] Beter was van kindsaf aan / met de haakploeg door / ’t akkerland te gaan.’

We vinden verder drinkliederen, nachtelijke zwerftochtliederen, klaagzangen over de liefde en het leven. Heel simpel vaak, en mooi – zoals in deze regels waar, bij alle somberheid, toch ook weer even de maan en de stilte om de hoek komen kijken: ‘Ik ben enkel passant hier ter wereld, steek maar vrolijk je hand op naar mij. / Ook de herfstmaan verspreidt een zo teer en / strelend licht, en zo stil ook is zij.’

Vertaler Kees Jiskoot geeft in een biografische schets de belangrijkste gebeurtenissen uit het korte veelbewogen leven van Sergej Jesenin. Ik noem maar een paar dingen. De grote populariteit van de beginnende dichter, verheerlijker van het ‘boerenparadijs.’ Veel liefdes en liefdesbreuken. Omgang met dronkaards, hoeren en verslaafden. Een kortstondig huwelijk met danseres Isadora Duncan. Drank en drankproblemen. Opname in een psychiatrische inrichting. Aan het eind van zijn leven zou hij nog maar één uur per etmaal nuchter zijn geweest – maar in dat ene uur schreef hij nog steeds verrassend veel goede gedichten.

Het eind kwam in december 1925, in een hotelkamer in Sint-Petersburg, waar hij zich ophing met een gordijnkoord. Er zijn ook bronnen die zeggen dat hij door KGB-agenten om het leven werd gebracht. Vlak voor zijn dood gaf hij een vriend de tekst van zijn laatste gedicht. Nog een detail: hij schreef het, bij gebrek aan inkt, met zijn eigen bloed. Het is een hartverscheurend vaarwel: ‘tot ziens in betere tijden.’

Boris Ryzji (1974-2001) was nog maar 19 jaar toen hij zijn gedicht ‘Testament’ schreef. Daarin vraagt hij een vriend om bij zijn dood een kruis op zijn graf te plaatsen – hetzelfde kruis dat analfabeten op formulieren zetten. Dat moet de handtekening worden die Ryzji voor de wereld achterlaat: ‘Een kruisje, want ik kon grammaticaal / niet met het leven overweg. Ik heb / mijn lot gelezen, maar het niet begrepen.’

Ryzji leefde in Sverdlovsk aan de zelfkant, in een wereld van straatvechters, boefjes, boksers en jonge alcoholisten. Hij schrijft over de opwinding van het treinsurfen, samen met nog wat ander ‘gajes’, boven op de trein van Sverdlovsk naar Oefalej, met uitzicht op voorbijschietende ‘bossen links en weiden rechts, tractoren, karren vol met hout.’ Intussen kijken ze ook nog naar de blauwe lucht, en laten ze zowaar ook nog wat dichterlijk dromen toe: ‘hoe zou het zijn, gaan wij misschien van hieruit nergens meer naartoe?’

Die brutale toon, vol zelfspot, is in veel van Ryzji’s gedichten terug te vinden. Hij laat Apollo, de god van de poëzie, tegen hem zeggen: ‘Je gedichten zijn goed, jongeman, maar je ziet er slecht uit.’ Hij dicht gemakkelijk, in directe, gewone bewoordingen. Hij kan een vriendelijk en ontroerend gedichtje schrijven over zijn zoontje, of over zijn schurftige zwerfpoes. En over de muze, de drank, het zwerven door parken – en over de dood.

Josif Brodski

In twee gedichten staat hij stil bij de dood, in januari 1996, van dichter Josif Brodski, aan wie hij af en toe doet denken. In een ander gedicht komt, vast ook niet helemaal toevallig, een regel uit een gedicht van Sergej Jesenin voorbij.

Er zijn de nodige overeenkomsten tussen Ryzji en Jesenin. In toon, in onderwerpen en ook in hun beider leven. Veel drank en droefheid. Ook bij Ryzji kwam er snel een eind aan. Ook hij verhing zich. Ryzji was toen 26 en liet dit briefje na: ‘Ik heb van jullie allemaal gehouden, geen flauwekul! Jullie Boris.’

Dit is de tweede bloemlezing uit de poëzie van Ryzji. Ik zou er nog wel veel meer willen lezen. Bij hem geen pose, geen kunst, geen aanstellerij. Ook hij bevindt zich, net als Jesenin, vaak dicht bij het levenslied – of bij de straatpoëzie van rappers en hiphoppers. En net als bij Jesenin is er bij Ryzji tot het eind iets onbevangens bewaard gebleven: een kinderlijk verlangen naar vrijheid, het zoeken naar een uitweg uit een schijnbaar zinloze werkelijkheid.

In het laatste gedicht klaagt hij over zichzelf, zijn drankzucht, de verwaarlozing van zijn zoontje en zijn vrouw, maar daarop volgt dan toch weer, met enige verwondering, een ontsnapping naar een andere wereld – hoe tijdelijk ook. ‘Dus waarom is me zomaar vergund, / met verduivelde gulheid, te dromen / van die wolken, de lach van een kind / en het vallende blad van de bomen.’

Bij alle ellende dient zich toch weer een wolkengezicht aan, de lach van een kind, het beeld van vallend blad. In zulke regels klinkt al bijna weer de jonge Jesenin mee.

Voeg er nog een stille nacht aan toe en dan zul je zien: ‘de maan giet alom / zilver uit op dit uur.’