De dampkring in totale rust

Als huizen konden huilen zou het huis op de foto hierboven amechtig janken. Het staat daar maar in de modder, onbewoond, gescheurd aan alle kanten, en dreigt door zijn steunmuren te zakken. Het pandje heet ‘de visafslag van Laaxum’, naar het kleinste vissersdorp van Europa, maar er is op de foto geen IJsselmeer te bekennen, dat ligt achter de fotograaf.

De Friese schilder Willem van Althuis (1926-2005) had een zwak voor dit soort ‘pakhuisjes’, hij schilderde van de visafslag meer dan vijftien versies. Ze staan steeds in ijl blauw en mistig grijs net zo verlaten in de verf als op de foto: een huisje van bijna niets dat ook op Nova Zembla of in de Schotse hooglanden had kunnen staan.

Een naar deze kunstenaar genoemde stichting heeft veel in het werk gesteld om een monografie van Van Althuis op poten te zetten, en men heeft zich er in Achter de horizon niet van af gemaakt. Lees hoe de boerenzoon, opgegroeid tussen de koeien en de bieten, stratenmaker werd, aan het tekenen sloeg en zich stapsgewijs als schilder wist uit te vinden. ‘Werken met een penseel zoals een violist met zijn strijkstok’ – dát was wat hij wilde. Waarom? Dat wist hij niet: Waarom zou men alles zo nodig moeten verklaren, vond hij.

Koe

Kijk je naar zijn vroege tekeningen van een hoeve hier, een koe daar, dan zou je Van Althuis destijds hebben geadviseerd: ‘ga toch iets anders doen’. Want het staat er allemaal wel erg braaf en stroef bij. Maar Althuis zou zich er niets van hebben aangetrokken. Het schilderen was een heilig moeten. Hij dankte een leraar af, en negeerde wat anderen vonden dat hij zo nodig moest maken.

Al snel na die hoeve en die koe schildert hij vingeroefeningen naar Van Gogh, Klee en Kandinsky. Veel belangrijker nog werd het lezen en herlezen van Kandinsky’s ideeën en theorieën over abstracte kunst, over het samengaan van kleur en klank en ziel, neergeschreven in Over het spirituele in de kunst (1912). Je zou zelfs kunnen stellen dat Van Althuis zonder Kandinsky (1866-1944) zich niet had weten vrij te vechten.

Natuurlijk behoort zo’n monografie te melden dat de kunstenaar eerst accordeon speelde, postzegels verzamelde, de tuinbouwschool volgde, verhuisde en weer verhuisde met zijn vijf opgroeiende kinderen. Maar dat zijn bijzaken. Wat bewondering afdwingt is het vasthoudend zoeken van Van Althuis naar een stijl, naar beelden en kleuren die tezamen een Van Althuis maakten.

In dat opzicht heeft hij veel te danken aan Thom Mercuur, die als galeriehouder, museumconservator en later als museumdirecteur van Belvédère in Oranjewoud, Friesland schilderkunstig op de kaart zette. Ongezouten gaf Mercuur kritiek op Van Althuis’ schildersproeven, en daar was de toen nog niet afgekeurde stratenmaker blij mee.

Hij nam bouwwerken in Dronrijp en Heerenveen, onder handen: bruggen, een hotel, een kerk, het station en een zuurkoolpakhuis. En in een tweede versie reduceerde hij zo’n pakhuis tot een paar horizontale banen. Die ‘vertalingen’, zoals hij ze noemde, brachten de ommekeer. Ze zouden uitmonden in weidse abstracte vlakken, horizontaal onderbroken door een enkele, donzige lijn. Cirkels, vierkanten, een opstaand stuk papier – grote eenvoud leende zich voor die sobere techniek à la Van Althuis.

Eigen religie

Vergeet dat Friesland maar, daar ging het hem helemaal niet om, zei hij later, maar om ‘innerlijke landschappen’, ‘een eigen soort religie’, en niet dat van zijn ouders. Uiteindelijk lag zijn eigen ‘religie’ toch wel dichtbij huis. Want als buitenkind, ‘veel in het veld’, had Van Althuis altijd al oog gehad voor wolken, land, water, mist en nevels. En die grootsheid maakte hem stil en bescheiden: ‘Men is een miniem deeltje van iets groots dat door de eeuwen heen zijn weg baant’.

Zijn late schilderijen van ‘de dampkring in totale rust’ zijn op de voet te volgen, met dank aan al die particulieren die zich voor het boek hebben aangemeld met hun eigen Van Althuis. Het is graag kijken naar dat werk uit de jaren zeventig en tachtig, naar vlakken met zachte, nevelige tonen waarin een enkele vervloeiende lijn een summiere scheiding tussen hemel en aarde suggereert – of eigenlijk een samengaan.

De vrijheid van ‘harmonie, eenheid, rust en ruimte’ was binnen zijn bereik gekomen. ‘Het werk is mij en ik ben het werk’ kon hij uiteindelijk aan zijn vriend K. Schippers schrijven. En eenmaal zo ver, wist hij zelfs, zoals een stilleven laat zien, een bonbonschaaltje, badend in dat gedempte, buitenaardse licht, architectonische dimensies mee te geven. Licht dat niet langer aan verf doet denken, maar aan dampkring, oneindigheid, eeuwigheid. Weinig houvast, maar voor de goede verstaander veelomvattend.

Eigenlijk staat de visafslag van Laaxum niet ver weg van al die de nevelige onmetelijkheid. Van Althuis, de loner en de laatkomer, oefende bij dat onderwerp net zo goed op de kunst van het weglaten om tot de kern te komen. Lees die monografie, sla hem dicht en betrap jezelf op een buiging voor de zoekende stratemaker.

Tot 1/9 is het werk van Willem van Althuis te zien in Museum Belvédère, Heerenveen-Oranjewoud