Berlijns, mooi en androgyn

De sensuele Dietrich en de slecht acterende Riefenstahl waren de prototypes van de nieuwe, Duitse vrouw. Twee markante levens.

** FILE ** German filmmaker Leni Riefenstahl is photographed in the garden of her home in Kitzbuhel, Austria, in this May 1945 file photo. Riefenstahl, whose hypnotic depiction of Hitler's Nuremberg rally, 'Triumph of the Will', was renowned and despised as the best propaganda film ever made, died Monday at the age of 101, a German magazine reported Tuesday, Sept. 9, 2003, quoting a long time friend. (AP Photo/Jim Pringle) ** B&W ONLY **
** FILE ** German filmmaker Leni Riefenstahl is photographed in the garden of her home in Kitzbuhel, Austria, in this May 1945 file photo. Riefenstahl, whose hypnotic depiction of Hitler's Nuremberg rally, 'Triumph of the Will', was renowned and despised as the best propaganda film ever made, died Monday at the age of 101, a German magazine reported Tuesday, Sept. 9, 2003, quoting a long time friend. (AP Photo/Jim Pringle) ** B&W ONLY ** AP

Hitlers troepen waren begin september 1939 nog maar net Polen binnengevallen of Leni Riefenstahl rende naar de Rijkskanselarij in Berlijn om te vragen of ze een filmploeg naar het front mocht sturen. Ze stond te popelen om haar loyaliteit aan Hitler te bewijzen, schrijft Karin Wieland in haar spannende dubbelbiografie over de twee beroemde Duitse kunstenaressen die in de oorlog ieder een andere kant kozen.

Op 10 september vertrok Riefenstahl in een zelf ontworpen fantasie-uniform naar Polen met twee volgetankte zeszitsauto’s met chauffeur en benzinebonnen voor zevenhonderd liter. Tot ergernis van de legerstaf die het een potsierlijke vertoning vond.

Maar de oorlog viel vies tegen: in het dorp Konskie was ze meteen getuige van een vergeldingsactie: meer dan twintig Poolse Joden werden doodgeschoten omdat vijf Duitse militairen zouden zijn vermoord. Dat was niet zo esthetisch in beeld te brengen als het marcherende partijkader in haar succesvolle propagandafilms Sieg des Glaubens (1933) en Triumph des Willens (1934), geprezen vanwege de vernieuwende cameravoering. Leni nam de benen uit Polen, maar vloog later die maand naar Warschau om met Hitler aan de overwinningsparade deel te nemen.

Ook Marlene Dietrich, die al in de jaren dertig naar Hollywood trok en de Amerikaanse nationaliteit aannam, koos voor een fantasie-uniform, met hoge laarzen en nagellak. Zij meldde zich aan het eind van de oorlog aan om te zingen voor de oprukkende Amerikaanse soldaten. Een uitputtend tournee langs de fronten van Algerije, Italië, Frankrijk en Duitsland. Terwijl de bommen vielen op haar moeder en haar zus in Berlijn, zong zij in Aken ‘Boys in the Backroom’, ‘Annie Doesn’t Live Here Any More’, ‘You Do Something To Me’ en ‘Lili Marleen’. Kou, schaamluizen en optredens voor soms wel 20.000 soldaten tegelijk, maar ook als soldaat in legerbroek zag Marlene er geweldig uit.

Prototypes

Het is een vondst om Dietrich en Riefenstahl in één biografie onder te brengen. Wieland presenteert ze als prototypes van de nieuwe Duitse vrouw van het begin van de 20ste eeuw. Beiden zijn Berlijns, mooi, zelfbewust, androgyn en perfectionistisch. Ze verslinden mannen, houden van luxe en zijn bereid voor de kunst tot het uiterste te gaan. Allebei komen ze tot wasdom in het avant-gardistische, armoedige en anarchistische Berlijn van de jaren twintig. Ze hebben talent maar net niet genoeg voor een gevarieerde acteurscarrière. Allebei werken ze zich hun hele leven half dood en laten zich tegen de gevreesde veroudering in dure klinieken inspuiten met levende cellen.

Dietrich werd in 1901 geboren als dochter van een autoritaire mislukte politieman die jong stierf aan een zenuwaandoening. Haar moeder zag niets in de artistieke ambities van haar ongelukkige kind. Maar Marlene ontpopte zich tot een zelfs in mannenkleren (met monocle) verpletterend aantrekkelijke, erotische, kettingrokende en scotch drinkende vrouw.

Riefenstahl kwam in 1902 ter wereld in Wedding, de ‘arbeiders- en misdadigerskolonie’ van Berlijn. Ook haar loodgietende vader hield zijn dochter kort, maar ze genoot al jong van haar aantrekkingskracht op mannen. Sport, Körperkultur en dweepzucht met de natuur werden haar handelsmerk, zoals te zien in ‘bergfilms’ als Der heilige Berg en Die weisse Hölle am Piz Palü, die ze maakte met de vrouwenhater Arnold Fanck. Met doodsverachting trotseerde ze als enige vrouw in een mannengezelschap ijskoude gletsjers en bergwanden. Haar verheerlijking van het menselijk lichaam viel prachtig samen met de heilsleer van het Arische ras.

Riefenstahl bewonderde in Hitler niet de man (het verwijfde ventje paste bepaald niet bij haar schoonheidsideaal), maar de overwinnaar en de geldbuidel, aldus Wieland. En Dietrichs afkeer van Hitler was in eerste instantie niet zozeer politiek: ze vond het gewoon walgelijk dat haar minnaars als de Joodse regisseur Josef von Sternberg of de in Duitsland verboden Erich Maria Remarque (Im Westen nichts neues) door de nazi’s in de ban waren gedaan.

De frappante overeenkomsten en verschillen tussen de twee vrouwen worden door Wieland fraai uitgelicht. De camera en Hollywood hielden van de sensuele Dietrich, maar niet van de slecht acterende hoekige Riefenstahl, zegt de auteur. Dus koos Riefenstahl als regisseur voor de achterkant van de camera, al speelde ze in haar eerste zelfgedraaide ijs-en-sneeuwfilm, Das blaue Licht, zelf nog de hoofdrol. Riefenstahl klimt beter dan ze acteert, merkte een criticus droog op.

Dietrich schitterde begin jaren dertig als Lola Lola in Der blaue Engel (‘Ich bin von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt’), Morocco en Shanghai Express onder regie van haar Amerikaanse minnaar en muze Josef von Sternberg. Maar na de tumultueuze breuk met Von Sternberg werd ze in Hollywood alweer betrekkelijk snel afgeschreven. Ze stapte noodgedwongen over naar een zangcarrière met beperkte houdbaarheid. Het was een vermoeiend leven uit koffers, van kleedkamer naar kleedkamer en van de ene liefde naar de andere, steeds op zoek naar geld om haar dochter Maria of haar officiële echtgenoot Rudi Sieber te onderhouden.

Hoe wreed is de wereld. Terwijl Marlene Dietrich zich door Joseph Goebbels in 1937 niet heeft laten paaien om terug te keren naar Berlijn, dronk Leni Riefenstahl thee met Hitler en liet zich ruim financieren door het ministerie van Propaganda. Bij een vluchtige denazificatieprocedure in Neurenberg slaagde ze erin haar rol te bagatelliseren. Die mythe werd pas na de ontdekking van Goebbels’ dagboeken in 1992 in Moskou doorgeprikt. Toen in 1987 een voorpublicatie verscheen van Riefenstahls memoires, schreef Marlene Dietrich boos: ‘Natuurlijk gaan ze vrolijk door met het afdrukken van de leugens van die “rijksgletsjerspleet”, zoals dat ongelooflijk narcistische mens werd genoemd.’

Mannenlijven

In de jaren zeventig werd Riefenstahl weer hip bij popsterren en Amerikaanse feministen, die in haar het wilskrachtige talent zagen naar wie ze zo desperaat op zoek waren. Wieland beschrijft met nauw verholen sarcasme hoe Leni met haar fotoboeken van zwart glanzende mannenlijven van het volk der Nubiërs in Soedan weer salonfähig werd.

Alleen schrijfster Susan Sontag wees direct op de overeenkomst tussen Riefenstahls verheerlijking van de Nubische Körperkultur en die van Hitlers arische ras. Het mocht niet baten: Mick Jagger liet zich wát graag door haar fotograferen. Uitgekeken op de Nubiërs ontdekte ze bejaard en wel de diepzee. Ze stierf praktisch in het duikpak, 101 jaar oud, broodmager, tanig en aanbeden door haar laatste, veertig jaar jongere minnaar.

Hoeveel treuriger was het einde van Dietrich. De laatste jaren van haar leven liet ze zelfs haar intiemste vrienden niet meer toe. De legende moest in stand blijven. Wieland schrijft: ‘Als men haar vraagt wat ze zoal doet, antwoordt ze: “I’m the same, in bed, with a book and a bottle”.’ Op 6 mei 1992 stierf Marlene Dietrich, negentig jaar, eenzaam in haar Matrazzengruft in Parijs. Een dag later begon het filmfestival in Cannes. Overal hingen affiches met Dietrich in haar vroegere glansrol als Shanghai Lily. Toch een overwinning, concludeert Wieland: ‘Het beeld heeft haar overleefd. De kunst heeft gezegevierd.’