Holland Festival prikkelt, ergert, roert

Het 66ste Holland Festival bracht minder producties voor vollere zalen. Je zag er wat je hier normaal niet ziet. Maar het aanbod is volgend, niet leidend.

Nederland, Amsterdam, 31-05-2013 foto: Bram Budel. Generale repetitie van de opera Quartett van Luca Francesconi in de gashouder op het Westergasterrein in Amsterdam. De opera is de opening van het Holland Festival. De spelers Allison Cook en Robin Adams spelen op een podium dat lijkt te zweven voor een projectiescherm doordat het aan dunne staalkabels is opgehangen.
Nederland, Amsterdam, 31-05-2013 foto: Bram Budel. Generale repetitie van de opera Quartett van Luca Francesconi in de gashouder op het Westergasterrein in Amsterdam. De opera is de opening van het Holland Festival. De spelers Allison Cook en Robin Adams spelen op een podium dat lijkt te zweven voor een projectiescherm doordat het aan dunne staalkabels is opgehangen. Bram Budel

Mijlpalen en miskleunen: it’s all in the game bij het Holland Festival. Ook op de 66ste editie, de negende en één-na-laatste van artistiek directeur Pierre Audi, waren ze er weer: voorstellingen waar je woedend van weg beent en voorstellingen waar je hart van huilt, nieuwe ijkpunten voor de komende jaren. Zolang die twee elkaar in evenwicht houden en zolang het risico niet gemeden wordt, mag wisselvallig de middle name van het festival blijven.

Het Holland Festival voorziet succesvol in de behoefte onze blik te kunnen scherpen aan internationale muziek- en theaterproducties. Wat je hier ziet, zie je veelal gedurende het reguliere culturele jaar niet. Dat maakt het festival een bijzonderheid in het Nederlandse culturele leven.

In 26 dagen toonde het Holland Festival 112 voorstellingen van 45 producties – 9 producties en 14 voorstellingen minder dan in 2012 – en trok daarmee 69.500 bezoekers. Met een gemiddelde zaalbezetting van 82 procent trok het festival vollere zalen dan vorige edities. Vorig jaar trok het festival ruim 74.000 bezoekers, met een zaalbezetting van 80 procent (in 2011: 77 procent). De organisatie spreekt dan ook van „een succes”.

In artistiek opzicht was het niveau voldoende tot goed, stilistisch divers en eerder interessant dan helemaal overtuigend. Bij zijn aantreden in 2005 etaleerde Audi de ambitie de glorietijd van het festival te laten herleven. De internationale faam was in de jaren ervoor weggeëbd, maar stoelde traditioneel op hoge kwaliteit, een avontuurlijke instelling en een onvoorspelbare programmering van eigentijdse en klassieke kunst.

Die avontuurlijke instelling vergt van de bezoeker nog altijd een open houding en de wil risico’s te nemen – waarvoor hij door het festival wordt beloond én gestraft.

De beloning was er dit jaar op het gebied van muziek en muziektheater bij diverse hoogtepunten, voor calculerende gokkers niet onverwacht: de rauwe relatiestrubbelingen van openingsvoorstelling Quartett van Luca Francesconi, de magische meisjeszang van Heiner Goebbels slotproductie When the mountain changed its clothing en het meesterwerk The Gospel According to the Other Mary van John Adams. Maar dat concert was er ook zonder festivalcontext gekomen; een festivalachtige (nieuwe) enscenering werd gemist.

Een grote deceptie, die door zijn extreme lengte van vijf uur ook echt als een straf voelde, was de theatervoorstelling Shéda van Dieudonné Niangouna. Dat was nou zo’n voorstelling waar je het beste van hoopt en die totaal nieuw was voor Nederland – theater uit Afrika, van een gevierde Congolese auteur en regisseur. Maar Niangouna joeg het publiek weg met oeverloos geklets. Ook een miskleun: het stuurloze Marktplaats 76 van Jan Lauwers, minder onverwachts en minder exotisch. En Tragedy of a Friendship van Jan Fabre; te lang (drie uur zonder pauze), te luid, te nadrukkelijk seksgericht.

Het beste theater kwam van ver. Er was een welkome kennismaking met inventief, geestig theater uit Zuid-Amerika en bovenal was er een overweldigende Wild Duck uit Australië. Deze Ibsen-bewerking van regisseur Simon Stone kwam aan als een mokerslag. De meeste Nederlandse Ibsen-uitvoeringen verbleekten erbij.

Wat het Holland Festival ontbeert is een internationale voorhoederol. Wereldpremières waren schaars, Nederlandse premières alomtegenwoordig, omdat het gros van de producties in samenwerking met rijkere partners wordt gerealiseerd, en de voorstellingen eerst dáár te zien zijn.

Dat is het festival aan te rekenen. Het is onvoldoende in staat eigen voorstellingen te initiëren. Anderzijds: een voortreffelijk scoutingapparaat is misschien wel waardevoller. Wat maalt de bezoeker om wereldpremières als voor bewezen topkwaliteit de overtocht wordt betaald? Snelheid van handelen is dan wel een must: een goede Arturo Ui die al in 1995 is gemaakt, is dat wat we moeten weten van het Duitse theater?

Bij dit alles is het budget een verzachtende omstandigheid. Het festival woekert met de beschikbare middelen en maakt veel in coproductie met rijkere partners. Meer eigen voorstellingen en initiatieven zouden eenvoudigweg ook meer geld kosten. Ter illustratie: de Ruhrbiennale, het rijke broertje in het Ruhrgebied, heeft jaarlijks 13 miljoen te besteden. Het Holland Festival kost 5 miljoen (waarvan 3 miljoen rijkssubsidie) en brengt daarvan aan de kassa maar 1 miljoen op.

Het zijn liefhebbers die dat geld uitgeven. Een festival voor ‘de gewone man’ of ‘de jeugd’ zal het festival nooit worden. Dan moet je die bijtende Wild Duck een maand programmeren en de charismatische en hippe regisseur Stone bij DWDD planten. Ook wenselijk voor de toekomst: een aantrekkelijker affiche en een minder hermetische en onpraktische vormgeving van de festivalpocket.

Audi zei in december in deze krant naar „hoognodige verjonging van het publiek” te streven: „Het festival stond te boek als elitair, we werken er nu al zeven jaar aan het markanter en breder te maken.” Maar als dat moet met circus (Hans was Heiri); laat maar. In 1999 probeerde Audi’s voorganger Ivo van Hove dat ook al met ‘paardentheater’ Zingaro. Zinloze franje.

Ook Van Hove zocht vergeefs naar verjonging en bracht destijds veel popmuziek; een genre dat dit jaar onder Audi weinig ruimte kreeg. Het aanbod had scherper gekund, en wat er was zat verstopt in geforceerde multimediale cross-overs.

Audi doet waar hij goed in is en is trouw aan de missie die hij in 2006 veel bescheidener verwoordde als: „Aan de mensen duidelijk maken dat ze niet naar New York of naar Wenen hoeven te gaan om internationale podiumkunst te zien. Je kunt het ook hier in Amsterdam krijgen.”