Straatje

Een oude man kwam naast me zitten op een bankje waar de Brouwersgracht en de Herengracht samenkomen. Het was halverwege een heldere middag, ons uitzicht op de Herengracht strekte zich over honderden meters uit. Dit was een van de bijzonderste plekjes van Amsterdam, vooral bij dit weer. Het was alsof de zon vanaf hier een lint van zilver door de grachten trok.

„Ik kom hier altijd als ik in Amsterdam ben”, zei de man. „Al in de trein begin ik aan dit plekje te denken. En dan maar hopen dat mijn bankje niet bezet is.”

„Eén persoon mag nog”, zei ik.

„Eén, ja. Maar ik ga nooit naast een stelletje zitten. Die praten me te veel.”

Ik nam hem van opzij op, even maar, want mensen merken dat onmiddellijk – ga jezelf maar na. Niets is vervelender dan het gevoel begluurd te worden. Hij moest halverwege de zeventig lopen, een tanige man met het verweerde gezicht van iemand die veel in de buitenlucht had gewerkt.

Hij vroeg me of ik al lang in Amsterdam woonde. Ruim vijftien jaar, antwoordde ik. Hij knikte met respect. „Dat zou ik ook wel hebben gewild, maar ik had er het beroep niet voor. Ik heb een boerderij in het oosten gehad, overgenomen van mijn vader. Ik was de enige zoon die hem kon opvolgen. Ik heb het niet met grote tegenzin gedaan, maar toch heb ik vaak aan een ander leven gedacht.”

„In welk opzicht?”

„Drukker, levendiger. Ik kwam altijd graag in de stad. De meeste boeren geven daar niets om.”

„Had u een gezin?”

„Vrouw en drie kinderen. Mijn vrouw wilde nooit weg, ik heb nog wel eens plannen gehad om in het buitenland een boerderij te beginnen. Het avontuur trok me. Maar de kinderen voelden er ook niets voor.”

„Dus toen ging u maar wat vaker naar Amsterdam.”

Hij zei niets, keek even vluchtig naar mij en liet zijn blik toen weer op de superieure Herengracht rusten. „Ik kwam er jarenlang elke maand minstens één keer. Ik had hier in de buurt een vaste vriendin.”

Zijn openhartigheid overrompelde me en ik twijfelde. Moest ik doorvragen of discreet afwachten of hij met nadere bijzonderheden kwam? Ik kuchte kort – en zweeg.

„Een goede vrouw, we konden prima met elkaar overweg, ik had nooit iets te klagen.”

„Waar woonde ze?”

„De Korsjespoortsteeg”, zei hij zonder aarzeling. „Kent u het daar?”

Ik knikte. Ik was er net nog doorheen gelopen. Er hingen zomerjurkjes aan de ramen en er stonden kinderfietsjes tegen de gevels. Ook het Multatuli Museum stond er nog steeds, op de bovenste verdieping was de grote schrijver geboren. Een onschuldig straatje voor jonge gezinnen nu de hoeren er niet meer mochten zitten.

„Heeft u nog afscheid van haar kunnen nemen?”, vroeg ik.

„Nee. Opeens was ze weg. Ik wist dat het ging gebeuren, we hebben er vaak genoeg over gepraat. Ze wist niet wat ze moest doen, op een ander adres doorgaan of stoppen. Ze was ook al op leeftijd.”

„Hoe kwam u erachter?”

„Ik liep de straat binnen en er hing geen gordijn meer voor het raam. Ik kon dwars door dat kleine rothuisje kijken. Het was al volledig ontruimd. Verderop zat nog één vrouw, maar die wist niet waar ze naartoe was. Een privé-adres of achternaam heb ik nooit geweten. Die dingen vroeg je niet.”

We hebben nog een poosje doorgepraat, ik herinner me er geen woord meer van. Toen hij wegging gaf hij me een hand.