Onleesbaar schoonschrift

Het Voynich-manuscript, geschreven in geheimtaal, houdt de wetenschap al een eeuw bezig. Vals? Of echt uit de 15e eeuw? Nieuw onderzoek wijst op ‘echt’. Kan niet, houden de tegenstanders vol.

Pagina’s uit het Voynich-manuscript. Rechts de kaft.
Pagina’s uit het Voynich-manuscript. Rechts de kaft. Beeld ontleend aan de Voynich-webpagina’s/ de universiteit van Yale

Het Voynich-manuscript; het zou de titel van een nieuw boek van Dan Brown kunnen zijn. Het gaat echter om een reëel, 108 folio’s tellend handschrift in een nog niet ontcijferde taal dat al honderd jaar taalkundigen, cryptografen en wiskundigen bezighoudt. Terwijl de ene onderzoeker zegt dat het om echte tekst in echt geheimschrift gaat, schaart een andere wetenschapper het compleet onder de categorie onzin en bedrog.

Nu zijn er twee natuurkundigen, de Argentijnen Marcelo Montemurro (Universiteit van Manchester) en Damián Zanette (werkzaam bij de Argentijnse versie van TNO), die stellen dat de tekst wel degelijk betekenis moet hebben. In het wetenschappelijke tijdschrift PlosOne zeggen ze dat ze taalkundige structuren hebben ontdekt die geen bedrieger bedacht zou kunnen hebben.

Ook Montemurro en Zanette hielden naar eigen zeggen rekening met de mogelijkheid dat het manuscript, met zijn veertig eigen lettertekens, door iemand is verzonnen.

Het manuscript dook in 1912 ineens op bij Wilfrid Voynich, een tot Amerikaan genaturaliseerde Poolse handelaar in oude handschriften en antieke boeken, met een antiquariaat in Londen. Van zijn winkel wordt gezegd dat die ook diende voor de verspreiding van revolutionaire literatuur en om geld in te zamelen voor de vrijheidsstrijd van Polen tegen Rusland. Voynich zou het handschrift hebben gevonden in een pakket van dertig manuscripten die de armlastige jezuïeten van de Villa Mondragone bij het Italiaanse Frascati. Die zouden ze hem hebben verkocht om aan geld te komen voor onderhoud aan hun onderkomen.

Dat verhaal werd pas bekend in 1960. Voynich was toen al dertig jaar dood was en zijn weduwe was net overleden. Het stond in een brief die Voynichs secretaresse, als erfgename van het manuscript, pas mocht openen nadat zowel Voynich als zijn vrouw zou zijn overleden. Enige twijfel is hier op z’n plaats, want het manuscript zou nog tot 1963 in de catalogus van de Villa Mondragone zijn voorgekomen – een aanwijzing dat de jezuïeten al die tijd niet geweten zouden hebben dat het manuscript weg was.

Aan de andere kant: de jezuïeten hebben het handschrift nooit opgeëist. Ook niet toen Voynichs secretaresse het manuscript voor 25.000 dollar verkocht aan boekhandelaar Hans P. Kraus. Kraus, die als een van de succesvolste handelaren in zeldzame boeken gold, lukte het echter niet om het manuscript door te verkopen. Na zeven jaar gaf hij het op; hij doneerde het aan de universiteit van Yale. Sindsdien ligt het daar in de Beinecke Rare Book & Manuscript Library. Het staat ook in zijn geheel op internet en kan daar virtueel worden doorgebladerd. Het manuscript bevat niet alleen tekst in een eigen letterschrift, maar ook vele tekeningen. Op basis daarvan zijn zes hoofdstukken onderscheiden die men Plantkundig, Astronomisch, Biologisch, Kosmologisch, Farmaceutisch en Recepten noemt. Op het eerste gezicht lijken de tekeningen reëel genoeg om aanwijzingen te geven over datering, herkomst en betekenis. Bij nader inzien geeft echter geen enkele tekening iets werkelijk bestaands weer.

Volgens Voynich was het manuscript in bezit geweest van keizer Rudolf II van Habsburg (1552-1612). Die informatie is afkomstig uit een in 1666 opgestelde brief die bij het manuscript is gevonden. Rudolf zou het manuscript voor 600 dukaten, ongeveer 3,5 kilo goud, hebben gekocht, in de overtuiging dat het geschreven was door de dertiende-eeuwse geleerde en Franciscaner monnik Roger Bacon.

Voynich heeft zich nooit met de ontcijfering beziggehouden, dat liet hij aan anderen over. Velen hebben een poging gedaan, zelfs de wetenschappers die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken waren bij het kraken van de Duitse Enigma-code. Maar niemand had succes. Niet zo vreemd, zei de Britse wiskundige Gordon Rugg in 2003. De hele tekst was volgens hem namelijk een lucratief verzinsel van alchemist Edward Kelley. Kelley was aan het hof van Rudolf II verbonden. Hij had een tabel gemaakt van zelfverzonnen woorden en daarna met behulp van een cardanrooster de tekst geschreven. Het rooster, dat halverwege de zestiende eeuw door Girolamo Cardano was uitgevonden, bestond uit een stuk karton met gaatjes erin; het maakte het mogelijk een tekst zo te schrijven dat de zichtbare woorden een geheime boodschap lieten zien als iemand het karton boven de tekst hield. Om zijn stelling kracht bij te zetten vervaardigde Rugg op dezelfde manier als Kelley volgens hem had gedaan een manuscript met een onzintekst in vreemde lettertekens.

Acht jaar later kreeg Ruggs theorie een knauw, want Amerikaanse onderzoekers van de Universiteit van Arizona stelden met behulp van C14-onderzoek vast dat het perkament van het manuscript werkelijk vijftiende-eeuws was. En een ander onderzoeksteam concludeerde dat de inkt in dezelfde tijd op het perkament was terechtgekomen.

Montemurro en Zanette zeggen nu dat ze statistisch hebben vastgesteld dat de tekst in een natuurlijke taal is geschreven en betekenis moet hebben. Ze hebben daarvoor methoden uit de informatietechniek gebruikt. Hun uitgangspunt is dat woorden met weinig betekenis en informatiewaarde, zoals lidwoorden, in een tekst in een natuurlijke taal vaak voorkomen. Woorden met betekenis en hoge informatiewaarde, voornamelijk bijvoeglijk naamwoorden en zelfstandig naamwoorden, komen juist veel minder voor.

Montemurro en Zanette hebben de lettertekens in Latijnse letters omgezet en daarna een vergelijking gemaakt met een tekst in het Frans, Engels en Chinees, het betekenisloze uitgeschreven DNA van gist en de betekenisloze programmeertaal Fortran. De in het Voynich-manuscript gebruikte taal bleek vrijwel dezelfde patronen en structuren te hebben als het Frans en het Engels. En hij leek in niets op het uitgeschreven DNA van gist en de programmeertaal. De twee onderzoekers stelden ook vast dat bepaalde woorden met betekenis regelmatig in bepaalde clusters voorkomen, zoals je in een Nederlandse tekst vaak peper en zout dicht bij elkaar gebruikt ziet.

Deze kennis van eigenschappen van natuurlijke talen was in de vijftiende en zestiende eeuw nog niet ontwikkeld en ook nog niet begin twintigste eeuw, toen het manuscript bekend werd. Vandaar dat Montemurro en Zanette uitsluiten dat de tekst door een knappe bedrieger is gemaakt.

Rugg blijft er, op de website van de BBC bij dat de tekst een antiek verzinsel is. De statistische overeenkomsten tussen natuurlijke talen en de taal van het manuscript waren volgens hem allang bekend. En er zijn te veel verschijnselen die afwijken van iedere bekende echte taal, zoals het niet voorkomen van woorden met meer dan tien letters.

Wordt vast nog vervolgd.

Het Voynich-handschrift is door te bladeren op: http://openlibrary.org/books/ OL24657370M/The_Voynich_Manuscript