Geld? Gaat het dit keer niet om

Door de crisis komen er meer start-ups: beginnende bedrijf- jes, vaak in de ICT, medische sector of biotechnologie, en meestal gestimuleerd door overheid en universiteit.

Clear Flight Solutions – anno 2012 – ontwikkelt een robotvogel. Start-ups weten niet altijd wat ze met hun idee kunnen.
Clear Flight Solutions – anno 2012 – ontwikkelt een robotvogel. Start-ups weten niet altijd wat ze met hun idee kunnen. Foto Gijs van Ouwerkerk

Start-ups zijn hot. De initiatieven om jonge bedrijfjes op weg te helpen, nemen toe: overheden, kennisinstellingen, investeerders; iedereen lijkt ermee bezig. En een hele generatie lijkt bezig met het opzetten van een bedrijfje ‘dat iets met internet’ doet.

Met name onder de huidige generatie twintigers en dertigers is er naast een carrière bij de overheid, het bedrijfsleven of de ngo-sector ineens een andere optie: het beginnen van een onderneming. Een start-up wel te verstaan: een onderneming met een businessmodel dat gericht is op snelle groei. Het zijn vaak bedrijfjes in de ICT, medische sector of biotechnologie, die een bestaande markt openbreken of een compleet nieuwe markt aanboren.

„Het carrièreperspectief is veranderd”, zegt Kees Eijkel, directeur van Kennispark Twente. „Toen ik studeerde, was de keuze: werken bij de overheid of in het bedrijfsleven. Nederland was in de jaren tachtig nog heel erg een land van multinationals en industrie. Dat is niet meer zo.”

Dat start-ups zo in de belangstelling staan, komt ook door de crisis, denkt Oscar Kneppers, oprichter van verschillende bedrijven en initiatiefnemer van startersplatform Rockstart: „Allerlei grote bedrijven zijn omgevallen, ook omdat ze niet meer innoveren. Je ziet dat mensen hun heil zoeken in ondernemerschap als alternatief.” Het gevolg daarvan is ook dat er steeds meer ‘oudere’ ondernemers van een jaar of veertig, vijftig zijn die na een ontslaggolf voor zichzelf beginnen.

Kneppers zegt dat we momenteel in de tweede golf van het fenomeen start-up zitten. „De eerste golf was in de jaren ’90 met de beursgang van Netscape in 1995 als aftrap. Uit die periode stamt ook het woord start-up, wat betekent ‘iets beginnen, in gang zetten’. Het werd gebruikt om de snelgroeiende dotcombedrijven in de VS aan te duiden en daarmee te onderscheiden van bestaande, ‘gewone’ ondernemers.”

De sector kwam tot een hoogtepunt rond de eeuwwisseling. „Toen die internetbubbel barstte, was alles met internet toch een tijdje eng, vies en gevaarlijk. De sector had lang de verkeerde mensen aangetrokken, die alleen uit waren op geld. Nu zie je dat het weer echt om ideeën gaat van gedreven mensen.”

Of het aantal start-ups ook echt toeneemt, is lastig te meten. Start-ups zijn geen aparte categorie waar de Kamer van Koophandel cijfers van bijhoudt, maar vallen in dezelfde groep als zzp’ers en eenmanszaken. Wel is te zien dat het aantal starters in de ICT, de sector waarin veel start-ups zitten, bijvoorbeeld groeide van zesduizend in 2008 naar ruim zevenduizend ondernemingen in 2012. Tegelijkertijd nam ook het aantal ondernemingen dat failliet ging toe, van drie- naar vierduizend.

Volgens Aard Groen, hoogleraar entrepreneurship aan de Universiteit Twente en de Rijksuniversiteit Groningen, en directeur van Venture Lab, ligt het aantal start-ups dat de eerste drie jaar niet overleeft al jaren op zo’n 30 tot 40 procent.

De economische waarde en bijdrage van start-ups aan een economie is dan ook moeilijk uit te drukken in euro’s, al scheppen ze wel werkgelegenheid, zegt hij: „Traditionele bedrijven reorganiseren voortdurend en laten de werkgelegenheid afnemen, jonge bedrijven creëren juist banen.”

Dat is dan ook de reden dat overheden en universiteiten allerlei initiatieven ontplooien om een start-upcultuur te stimuleren. Was samenwerking met het bedrijfsleven in de jaren ’70 en ’80 nog iets dat not done was, dat is nu aan het veranderen, zegt Groen. „Het is ook pure noodzaak. De eerste geldstromen vanuit de overheid lopen al jaren terug. Daarnaast vragen ook subsidieverstrekkers als de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) nadrukkelijk naar de valorisatie van onderzoeksprojecten: wat levert het op en is het te vermarkten?”

Het leidt ertoe dat onderzoekers aan universiteiten actiever de boer op gaan met hun eigen uitvindingen. Alexander Ribbink, oud-topman van TomTom en partner bij Prime Ventures, een grote durfinvesteerder in de technologiesector, beaamt dat: „Mijn indruk is dat de start-upcultuur in Nederland steeds beter in elkaar zit. Er is een permanente stroom aan initiatieven. Beginnende ondernemers ervaren daardoor veel meer steun dan een aantal jaren geleden.”

Er is dan ook geen universiteit meer die geen begeleidingsprogramma voor starters had, afgelopen decennium. Sommige universiteiten zijn daar verder in, zoals het aan universiteiten verbonden YesDelft! en Kennispark Twente, die meer een ‘groeiversneller’ willen zijn. Succesverhalen uit die centra zijn bijvoorbeeld de stormvaste paraplu Senz (Delft) en sites als Booking.com en Thuisbezorgd.nl (beide Twente).

Ribbink en Groen signaleren dan ook een sterke regionalisering van start-ups met hubs rond bepaalde initiatieven. Zo zijn samenwerkingspartners van YesDelft! de TU Delft, de gemeente en TNO. Kennispark Twente is een samenwerking van de Saxion Hogeschool, Universiteit Twente, Enschede en de provincie Overijssel. En in Amsterdam zitten businessversnellers als Startupbootcamp, die start-ups steunen met voorzieningen, coaching en een netwerk van investeerders.

Eijkel ziet die ontwikkeling eveneens: „De slogan ‘think global, act local’ is echt waar. Het lijkt wel alsof alles met internet niet langer geografisch gebonden is, maar sommige zaken kun je alleen regionaal regelen. Investeerders willen toch graag iemand in de ogen kijken. Je keurt een businessplan nu eenmaal niet goed over de mail.”