Elke film feest

Hét filmfeest van deze zomer is gewijd aan Federico Fellini. In Filmmuseum Eye zal een grote expositie over zijn werk te zien zijn. Ook komen al zijn films terug op het grote doek. Voor wat houvast op zijn genie: een stoomcursus.

Het probleem is dat hij overdondert. Federico Fellini was een genie, zijn films gelden als een soort wereldwonderen. En toen werd zijn naam een gevoel. Noem iets ‘Fellini’ en de hele wereld weet wat de bedoeling is: uitzinnigheid met grote vrouwen en/of rare types. Decadentie heet al heel lang ‘la dolce vita’, opdringerige journalisten zijn ‘paparazzi’ en pastarestaurants noemen zich ‘Amarcord’ of ‘La strada’.

Maar verder? De films van Fellini (1920-1993) zijn machtig en dol, maar hoe vaak merkt iemand dat nog op? Op twee of drie highlights na worden ze zelden meer bekeken.

Het Amsterdamse filmmuseum Eye laat ze deze zomer alle 23 zien, samen met een uitvoerige tentoonstelling: Fellini, the Exhibition. Dat is veel. Waar te beginnen?

In een badplaats. Begin jaren 50. I vitelloni. Het was Fellini’s derde film, en een van zijn beste.

Toen hij hem maakte was hij 33. Iets ouder dan de hoofdpersonen, die hangen tegen de 30 aan. Zij zijn de ‘vitelloni’, de grote kalveren. Volwassen mannen die zich gedragen als opgeschoten jongens. Klaplopers. Slap kletsen, beetje de beest uithangen, ’s zomers achter de meiden aan. Maar nu is het winter en dan is een badplaats een troosteloze plek. Ze hebben geen geld, er is weinig anders te doen dan naar de zee gaan kijken, steeds maar weer. Ze willen weg, maar ze zijn er te lui voor en te bescheten. En ze hebben goede smoezen om achterover te leunen, van een ongewenst vaderschap tot de tranen van een moeder.

I vitelloni is op locatie gedraaid in de Romeinse badplaats Ostia, maar hij gaat over Rimini aan de Adriatische kust. Uit dat toeristengat kwam Fellini vandaan. Vandaar al die strandbeelden in zijn films. Het zijn herinneringen, van de oude hoer Saraghina die in de film 8½ in het zand de rumba danst, tot het onbereikbare, pure meisje op het strand aan het slot van La dolce vita. De stoet paters die zich in verschillende films als een sliert kraaien langs het strand haast, waggelt hier in I vitelloni al voorbij.

Ook zijn er in die film al de woelige feesten waar Fellini de camera laat graaien naar exhibitionisme en tersluikse blikken. Je ziet hem ontdekken dat hij via feestgedruis alles kan zeggen waar geen woorden voor zijn. Hij zou er nooit meer mee ophouden, elke film heeft wel een feest. Die feesten worden vaak afgebroken door regen en storm. Dan slaat Fellini toe, dan begint het pas. Dan zie je de peilloze melancholie waar hij zijn personages altijd weer aan zal onderwerpen.

Fellini filmde in 1953 nog trouw aan zijn tijd: I vitelloni is een melodrama en een quasi-documentaire. Maar hij doet dat al in de buitenissige, wrede stijl die hij zou uitbouwen met het veel beroemdere La strada. Hij observeert hardvochtig, medelijden kent hij niet. Wel medeleven. Cynisme is hem vreemd, tederheid overwint, altijd. Die steelse gevoelens van hem voor iedereen die zich laat kennen, dus ook voor de naarlingen, zullen het geheime wapen blijven van al zijn films.

Al met al onthult I vitelloni hoe het allemaal begon en waar. Aan het strand ontdekte Fellini de verte die hem verleidde om weg te gaan. Weg uit de provincie. Weg van de straatschuimer die hij was en de nette middelbare man die hij wellicht zou zijn geworden, zo een als de huisvaders en de bazen in zijn stadje.

Fellini’s broer Riccardo speelt een van de ‘vitelloni’, ze lijken sprekend op elkaar. Maar zijn alter ego is Aldo – en die lijkt nogal op de acteur Marcello Mastroianni. Hem kende Fellini toen nog niet. Maar Mastroianni zou vanaf La dolce vita zijn favoriete hoofdrolspeler zijn, de ‘ik’ van veel van zijn films. Op Mastroianni zou hij zijn verlangens projecteren, zijn schaamte, zijn vrees. Marcello’s personages zijn altijd een variatie op de ‘vitelloni’. Maar hij niet alleen, vlak bijvoorbeeld Fellini’s Casanova niet uit. Door een ander gespeeld maar hij is er ook één. Zelfingenomen en charmant. Kansrijk. Maar verloren, want hij voelt zich een jongetje en niemand zorgt voor hem.

Aldo in I vitelloni is de enige die observeert, de enige die nieuwsgierig is naar een ander. Aldo stapt in een trein en rijdt weg.

Bijna twintig jaar later en 12 films verder, zien we hem aankomen, in de film Roma (1972).

Het begint op het beroemde Romeinse Stazione Termini. Aldo heet nu Federico. Hij stapt uit de trein. Weliswaar is het 1939 en hij is 18, maar Roma gaat verder waar I vitelloni ophield. Net als Aldo gaat Federico niets uit de weg, wandelt hij dag en nacht van plek naar plek en kijkt hij stilletjes om zich heen. Hij ziet mensen dingen doen die voor iedereen gewoon zijn, maar al dat doodgewoons wordt doordat juist hij het opmerkt bijzonder, krankzinnig, geweldig.

Roma is een sensationele collage van Fellini’s persoonlijke aantekeningen over zijn eerste jaren in die stad. Alles kon hem bekoren. De volksbuurt die met zijn allen luidruchtig op straat zit te eten. De haveloze revue en zijn lastige publiek. De vrouwen, de vrouwen en nog meer vrouwen. De foyer van een goedkoop bordeel. De foyer van een duur bordeel. En steeds sprenkelt hij achteloos tussen de bedrijven door beelden van hoe Italië werd beheerst door het fascisme.

Zo holderdeboldert Rome voorbij aan de ogen van de kleinsteedse jongen die niet ophoudt verbaasd te staan. En die daar niet mee op zou houden. Alles wat je hier ziet, duikt op in zijn films. Rome leerde hem kijken, en hij zat op een goudmijn.

Maar Roma is meer dan een vat vol herinneringen, zoals Amarcord zou zijn, de film die Fellini erop liet volgen. Hij schiet regelmatig naar het heden en dan zien we een hedendaagse filmploeg aan het werk. Ze filmen iedereen en alles in de file op de ringweg, waar heel Rome aanwezig lijkt. Natuurlijk is het weer noodweer. En Fellini geniet. Zichtbaar, want in deze film speelt hij zichzelf: een filmregisseur aan het werk.

Fellini vat met Roma ook nog eens zijn stijl samen. Hij begint met romantisch realisme en melodrama. En dan zet zijn absurdistische fantasie de aanval in, met als hoogtepunt een wervelende pauselijke modeshow. De kostuums zijn grotesk, de decors exuberant. De figuren zijn het toppunt van vermoeide schijnheiligheid. En Fellini houdt van ze.

Hier rijpt de tragiek van Il Casanova di Federico Fellini (1976). Zelfs componist Nino Rota neemt met zijn muziek een voorschot op die film.

I vitelloni en Roma, ze spelen pingpong met Fellini’s films. Ze zijn reservoirs van zijn beelden, zijn grappen, zijn bewondering. Ze vieren feest met zijn obsessies en zijn rouw.

Is dit te veel? Geen nood. Er is ook een stoomcursus Fellini: Le tentazioni del dottor Antonio, ‘De verzoeking van doctor Antonio’. Korte film, deel van het vierluik Boccacio 70. Uit 1962, halverwege I Vitelloni en Roma.

Hij duurt een klein uur en is volslagen ‘Fellini’, met alles erop en eraan: hoon voor de bourgeoisie, verlangen naar de oervrouw en mededogen met de kleinheid van de man, gedompeld in een sfeer van absurdisme. Hij vertelt van een fatsoenrakker die is geobsedeerd door de zedeloosheid van vrouwen. Uitgerekend voor zijn raam wordt een enorme reclamefoto geplaatst: drink meer melk! Dat klinkt onschuldig, maar de reuzenvrouw op die foto is dat niet. Ze stapt ervan af en komt hem halen! Ze wordt gespeeld door niemand minder dan Anita Ekberg. Fellini’s droomvrouw, parel uit de navel van zijn oeuvre: de Trevifontein-scène in La dolce vita.

Leun achterover, bekijk onbekommerd deze film. En Fellini’s universum ontsluit zich.