Zorg was nooit voor niets

Mantelzorg een traditie? Voor anderen zorgen zonder dat daar iets tegenover staat, was nooit een traditie, weet Els de Jong.

Tijdens de tweede feministische golf, ik studeerde huishoudwetenschappen aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, waren een aantal zaken not done. Zo kon je niet schrijven: ‘Nederlandse vrouwen werken juist heel veel’ (NRC, 14 mei). Vrouwen immers, hebben áltijd veel gewerkt. In het artikel doelt men op het feit dat vrouwen steeds meer buitenshuis en betaald werken.

Tijdens de tweede feministische golf, in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw, maakte men een onderscheid tussen onbetaalde en betaalde arbeid. Huishoudelijke arbeid viel onder onbetaalde arbeid. Hoogleraar huishoudkunde Visser sprak in haar diesrede in 1969 treffend over ‘werk dat geen naam heeft’.

Nu, veertig jaar later, wordt de huishouding helemaal niet meer bij naam genoemd. Nu heet het ‘zorgen’ of ‘moederen’. Zo is het begrip ‘huishouden’ een abstract begrip geworden, vindt ook demografisch onderzoeker Jan Latten van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Erken je echter het bestaan van de huishouding, dan is het huishouden absoluut geen abstract begrip. Dan is het een heel duidelijke economische en organisatorische eenheid. Het is goed om daar eens bij stil te staan – zeker nu men in de discussies over zorg en mantelzorg terug grijpt op vroeger tijden. Want ‘net als vroeger’ moeten we weer voor elkaar gaan zorgen.

In het traditionele Nederlandse gezinsmodel verdient de man de kost en doet de vrouw de huishouding. In een huwelijk zonder huwelijkse voorwaarden worden alle inkomsten en bezittingen gedeeld.

Er zijn ook andere, traditionele huishoudens. De Turkse meergeneratiefamilie, zoals beschreven in het proefschrift Tradities in de knel van Ibrahim Yerden, bijvoorbeeld. De taken zijn strikt verdeeld, tussen mannen en vrouwen en tussen de generaties. Een van de zonen, meestal de oudste, heeft de plicht toe te zien op de zorg voor zijn ouders. Die wordt overigens meestal gegeven door de vrouw van deze zoon. Alle inkomens worden bij elkaar gelegd. Ook zo’n grootfamilie is dus een economische eenheid.

Bij deze traditionele huishoudens zijn een aantal zaken duidelijk. Dat degene die huishoudelijke arbeid verricht, verzekerd is van een inkomen. Dat de zorgbehoevende verzekerd is van zorg. Degene die de huishoudelijke arbeid verricht, doet dat dus niet geheel belangeloos of louter op grond van affectie.

Aan deze traditionele huishoudingen kleven nadelen. Rechten en plichten zijn lang niet altijd gelijk verdeeld. En de kostwinner, traditioneel de man, heeft de meeste macht. Tijdens de tweede feministische golf zocht men dan ook naar een remedie tegen deze ongelijkheid. Dat werd economische zelfstandigheid voor mannen en vrouwen. Ieder individu zou in het eigen levensonderhoud moeten kunnen voorzien, en een individueel inkomen hebben. Overigens, dat Simone de Beauvoir bij haar verhandeling over economische zelfstandigheid minder oog had voor het vraagstuk van de onbetaalde arbeid in een huishouden is logisch. Zij woonde haar hele leven in een hotel.

Met de introductie van het ideaal van economische zelfstandigheid is onbetaalde, huishoudelijke arbeid ‘waardeloos’ geworden. Je kunt het wel doen, maar er staat niets meer tegenover. Het is een wonder dat het nog wordt gedaan!

Trek je de ideologie van economische zelfstandigheid door, dan moet huishoudelijke arbeid ook worden geïndividualiseerd. Maar dat is praktisch onmogelijk. Het is niet efficiënt om ieder je eigen maaltijd te koken, of alleen je eigen sokken in de wasmachine te stoppen.

In een huishouden moeten de taken altijd worden verdeeld. Verdelen mannen en vrouwen die taken gelijk? Nou nee. Volgens de Emancipatiemonitor 2012 besteedden vrouwen in 2005 ruim twintig uur per week aan de huishouding, en mannen bijna tien uur per week. Dan is de zorg voor kinderen nog buiten beschouwing gelaten.

Een echt individuele huishouding kan alleen worden gevoerd in een eenpersoonshuishouden. Daar komen er steeds meer van: in 2060 zal 44 procent van de huishoudens uit één persoon bestaan, tegen 37 procent nu.

Desalniettemin is het niet efficiënt om huishoudelijke arbeid te individualiseren. De wasmachine is nu eenmaal te groot voor de eenpersoonswas. En iedereen zijn eigen afwasmachine, strijkbout, magnetron en stofzuiger mag dan goed zijn voor de consumptie – het is slecht voor het milieu. Bovendien, kun je niet meer voor jezelf zorgen, dan word je in een eenpersoonshuishouden niet automatisch opgevangen, zoals in een meerpersoonshuishouding.

Natuurlijk kun je de huishouding collectief organiseren. Dat scheelt tijd en geld. In de jaren zeventig ontwikkelden Scandinavische feministes een model waarin verschillende gezinnen gemeenschappelijk woonden, juist om de last van de huishouding te verlichten. Het voeren van een gezamenlijke huishouding wordt in Nederland echter met inkomenspolitiek ontmoedigd. De mantelzorger wordt op zijn AOW gekort. De oudere migrant wordt op zijn AOW gekort, als de kinderen bij hem of haar komen inwonen.

Huishoudelijke arbeid als regulier betaald werk komt bijna niet voor in Nederland. De hulp in de huishouding werkt zwart – ze verdient minder dan het minimumloon. Of ze wordt door de staat gesubsidieerd in het kader van de AWBZ. Maar deze regeling wordt op termijn te duur. De overheid wil dit probleem nu oplossen door huishoudelijke arbeid weer onbetaald te laten verrichten. Ze denkt daarbij te kunnen teruggrijpen op tradities. Maar onbetaalde, huishoudelijke arbeid - buiten de eigen economische eenheid van het gezin of de grootfamilie - grijpt niet terug op traditie. Dat is een heel nieuw fenomeen, ongekend in de geschiedenis! Huishoudelijke arbeid immers, werd traditioneel binnen het huishouden gedaan. En altijd in het kader van een groep die een gezamenlijke huishouding voert. En een gezamenlijk inkomen deelt.

Wanneer deze ‘voorwaarden’ worden losgelaten, volgt verwarring. Want wie doet het voor wie, waarom en wanneer dan?

Ik zou willen dat huishoudens meer dan nu kunnen kiezen hoeveel geld of tijd zij besteden aan de huishouding. Arbeidsduurverkorting en een minder overheersende arbeidsethos, zodat iedereen minder uren werkt, zou helpen. Die arbeidsduurverkorting moet dan niet worden uitgekeerd in lange vakanties, maar in een kortere werkweek of werkdag.

Daarnaast kunnen huishoudens services en diensten inkopen. Daar ligt een enorme markt. Ook is er grote vraag naar de huishoudelijke ondersteuning in het kader van de AWBZ. Kan die niet kostendekkend georganiseerd worden, bijvoorbeeld door een hogere eigen bijdrage van de hogere inkomens? Tenslotte biedt collectivisering kansen, bijvoorbeeld door collectieve woonvormen op te richten. Maar ook door wasserettes in eigen beheer te hebben of een eetclub op te richten waarbij je eens in de week voor de anderen kookt. Of door collectief van huishoudelijke diensten en services in te kopen.

We moeten minder ideologisch en meer praktisch gaan nadenken over huishoudelijke arbeid. Want hoe je het ook went of keert; de huishouding kost tijd. Of geld.

Ir. Els de Jong studeerde huishoudwetenschappen aan de Landbouwuniversiteit Wageningen en is eigenaar van WONO, Bureau voor woononderzoek.