Overal is hitte, als je er maar naar zoekt

Heat. Adventures in the world’s fiery places, Bill Streever, Little, Brown & Co, 350 blz. € 19,66

Bill Streever heeft een haast kinderlijke nieuwsgierigheid en zucht naar avontuur. Hoe lang kan ik mijn hand boven een kaarsvlam houden, en hoe heet is dat vlammetje eigenlijk? Streevers digitale infraroodthermometer wijst 1.350 graden Fahrenheit (732 graden Celsius) aan. En hij houdt het slechts vijf seconden vol, waarna hij met gillende pijn zijn hand laat afkoelen in een bak sneeuw, die hij uit voorzorg al had klaargezet. ‘Ik realiseer mij dat vandaag de dag is dat ik begin te begrijpen wat hitte is’, schrijft hij dan.

Streever is bioloog en woont in Anchorage, Alaska. Niet bepaald de meest voor de hand liggende omgeving om aan hitte te denken. Misschien schreef Streever daarom drie jaar geleden eerst een boek met de titel Cold. Heat is daarop het logische vervolg.

Streever geeft het woord hittezoeker een nieuwe betekenis. Hij neemt de lezer mee op reis naar allerlei oorden die direct of soms heel in de verte met warmte te maken hebben. Hij lijkt zich daarbij volkomen te laten leiden door toevallige ingevingen en associaties. Het gaat van bosbranden in Californië naar de hoogste temperatuur die ooit door menselijk toedoen op aarde is bereikt (11 miljoen graden Celsius, tijdens de ondergrondse ontploffing van de waterstofbom Sedan op 6 juli 1962). En het zwaait van de eerste beheersing van het vuur door de voorouders van de moderne mens naar de nieuwe wetenschap van het moleculair koken.

Gewapend met zijn digitale thermometer belandt Steever – voor de hand liggend – op de heetste plek op aarde, in de woestijn van Death Valley. Bij Badwater Basin, het laagste punt in de snikhete vallei waar de zeldzame regendruppels al grotendeels verdampen voordat ze de grond raken, meet ‘boy with a toy’-Streever een temperatuur van 51 graden Celsius, in de schaduw. Zijn eigen schaduw welteverstaan, want verder is er niets dat schaduw geeft. Na een wandeling van vier uur terug bij de auto, die al die tijd de brandende zon heeft gestaan, richt Streever zijn apparaat nog even op de zitting: 82 graden.

De Amerikaan belandt uiteindelijk ook nog in Nederland, weer toevallig, omdat zijn schoonfamilie er vandaan komt. Ook hier vindt hij weer materiaal voor zijn boek als hij de oude turfsteekgebieden van De Peel bezoekt. Turf was een belangrijke brandstof, ontstaan uit samengedrukte en half vergane plantenresten in het veen. Vanuit Nederland ging het gedroogd en gemalen als ‘strooisel’ de hele wereld over. Naar kachels in India, Palestina, Zuid-Afrika en de Canarische Eilanden, schrijft Streever.

Als hij later in het Drents Museum in Assen voor het veenlijk van het meisje van Yde staat, dwalen zijn gedachten af naar de vraag hoe veenvolken tweeduizend jaar geleden gesmoorde turfvuren gebruikten om uit ijzeroer bruikbaar metaal te winnen. Het winnen van voldoende ijzer voor één enkele speerpunt en het smeden van het metaal in de juiste van moet dagenlang hard zwoegen zijn geweest. Dat leverde dan ook ruim een ton aan kooldioxide-uitstoot, merkt Streever dan ineens anachronistisch op.

Het boek leunt zwaar op de geschiedenis. Streever strooit rijkelijk met citaten van mensen die voor hem grote historische hittehelden zijn : Antoine Lavoisier (de man die dacht dat hitte een vloeistof was die hij calorie noemde), Count Rumford (die met Lavoisiers weduwe trouwde), Micahel Faraday (die lezingen gaf over het wonder van brandende kaarsen), John Tyndall (ontdekker van het broeikaseffect) en Benjamin Franklin (die pleitte voor kachels in plaats van open haarden, als efficiëntere verwarming voor huizen).

Eerst denk je als lezer: moet ik dit allemaal weten? Maar Streever overdondert je met zoveel grappige details dat – als je er eenmaal aan gewend bent – je die rijp-en-groen-stijl eigenlijk wel gaat waarderen. Ze kom je te weten dat mensen die geacclimatiseerd zijn in de woestijn meer zweten dan mensen die er net aankomen, maar dat hun zweet wel minder zout is.

Sander Voormolen