Lodewijk Asscher, minister van Sociale Zaken en Werkloosheid

Zeven maanden is Lodewijk Asscher minister van Sociale Zaken voor de PvdA. De werkloosheid is in Nederland nog nooit zo hoog geweest. Kán de minister er eigenlijk wel iets tegen doen?

Lodewijk Asscher is in gesprek met een lange, schuchtere jongen. Hij is werkloos en heet Ferdinand.

„Wat voor werk deed je?” vraagt Asscher.

„Ik werkte bij de luchtmacht, als monteur”, antwoordt Ferdinand.

„Wat is je opleiding?”

„Technisch. Ik ben veel intern opgeleid.”

„En wat voor werk zoek je?”

„Maakt me niet uit wát. Als ik maar een beetje vastigheid heb.”

Lodewijk Asscher, vicepremier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de PvdA, staat op het dorpsplein van Etten-Leur, een doordeweekse ochtend. In een kring van kraampjes staat een man of honderd, netjes in pak, met elkaar te keuvelen. Er is koffie en thee, er gaan bladen rond met taartjes. Uit de luidsprekers klinkt muziek van Caro Emerald.

Dit is de lancering van het ‘Transfercentrum West-Brabant’. Wat dat precies inhoudt, wordt niet helemaal duidelijk. Ook niet na een lange reeks speeches van prominenten met termen als „integraal netwerkmodel”, „een lekker hoog doe-gehalte” en „gedurfd nu-denken”. Mensen aan het werk helpen, daar gaat het om. Maar hoe?

Eigenlijk is Asscher de enige aanwezige die de daad bij het woord voegt. Hij troont de werkloze Ferdinand mee naar een ander kraampje en koppelt hem aan een mevrouw die vacatures heeft voor technische mensen. „Da’s een mooie kans toch, Ferdinand?”

Zeven maanden is Lodewijk Asscher (38) nu minister van Sociale Zaken. Hij wist onder moeilijke omstandigheden een sociaal akkoord te sluiten met werkgevers en vakbeweging. Coalitie én oppositie in de Tweede Kamer waarderen zijn open stijl van besturen. Maar onder zijn verantwoordelijkheid is zich op de arbeidsmarkt ook een ongekend drama aan het voltrekken: een stijging van het aantal werklozen naar 659.000: 8,3 procent van de beroepsbevolking. In absolute aantallen heeft Nederland daarmee op dit moment het hoogste aantal werklozen ooit gemeten. Zoals Asscher zelf zegt in Etten-Leur: „Die rottige massawerkloosheid is terug.”

Wat doet Asscher aan de acute problemen op de arbeidsmarkt? Kán een minister van Sociale Zaken van een open economie als die van Nederland eigenlijk wel iets doen om de werkloosheid te beteugelen?

In december maakte Asscher 100 miljoen euro vrij voor werkloze jongeren en ouderen in de bouw. Hij benoemde oud-Kamerlid Mirjam Sterk tot ‘ambassadeur aanpak jeugdwerkloosheid’. En deze week stelde hij 600 miljoen euro aan subsidies beschikbaar voor bedrijven met slimme plannen om de werkloosheid tegen te gaan.

Asscher zegt dat hij „alles wat in mijn vermogen ligt” doet om te zorgen dat er meer mensen aan het werk komen. Maar ondertussen probeert hij te hoge verwachtingen te temperen. Keer op keer benadrukt hij: de overheid creëert geen banen, er is geen simpele oplossing, en de sleutel – zo die er al is – ligt op regionaal niveau. Het kabinet kan hoogstens belemmeringen wegnemen.

Het meeste heil verwacht Asscher van het sociaal akkoord dat het kabinet dit voorjaar sloot. De onderhandelingen met FNV-voorzitter Ton Heerts en werkgeversvoorman Bernard Wientjes waren „een leerervaring”, zegt Asscher. Twee maanden werd er onderhandeld. De belangrijkste sessies vonden in het diepste geheim plaats, zondags in een hermetisch afgeschermde kazerne in Doorn.

Als novice in de polder dacht Asscher snel overeenstemming te kunnen bereiken. Een paar keer praten en klaar. Maar telkens als Asscher dacht dat een deal nabij was, begon het hele onderhandelingsspel weer van begin af aan. „Een deadline in de polder is een relatief begrip”, zegt hij nu.

Uiteindelijk kwam het kabinet op 11 april tot overeenstemming met de sociale partners: de ww-duur wordt verkort, het ontslagrecht versimpeld en de flexibilisering van de arbeidsmarkt ingeperkt. Het belangrijkste compromis, zeggen betrokkenen, kwam uit de koker van Asscher: minder korten op het tweede jaar ww, en het derde jaar laten financieren door werkgevers en vakbeweging.

De euforie over het bereikte akkoord maakte snel plaats voor scepsis en onduidelijkheid, vooral dankzij premier Rutte. Terwijl Asscher die avond bij Pauw & Witteman uitgebreid credits zat te geven aan Wientjes en Heerts, riep Rutte in Nieuwsuur de Nederlandse burger op zich uit de crisis te consumeren en zo extra bezuinigingen voor 2014 te voorkomen. Inmiddels heerst onder de polderonderhandelaars – inclusief Asscher en Rutte zelf – de consensus dat dit al te enthousiaste optreden het akkoord niet veel goeds heeft gedaan.

Toch verbaasde Asscher zich over het gebrek aan waardering voor het akkoord in de media en bij de oppositie. „Eerst zei iedereen: een sociaal akkoord, dat lukt nooit. Nu zijn we erin geslaagd, en staat niemand erbij stil. Zo gaat dat blijkbaar in Den Haag.” Hij verwijst naar een van zijn voorgangers: „Het sociaal akkoord zal zijn waarde pas bewijzen op langere termijn. Laatst had ik daar nog een mooi gesprek over met Wim Kok. Die zei: het Akkoord van Wassenaar heeft ook pas later zo’n status gekregen.”

De belangrijkste afspraken uit het akkoord, zegt Asscher, zullen op den duur de werkloosheid doen afnemen omdat de arbeidsmarkt „gezonder” wordt. Maar het CPB becijferde onlangs dat het akkoord de werkgelegenheidsgroei juist halveert. Hoewel het kabinet die conclusie betwist, lijkt hier een ongemakkelijke waarheid te schuilen: steun van de polder en groei van de werkgelegenheid zijn in deze crisis onverenigbaar.

Dit najaar moet Asscher de afspraken uit het sociaal akkoord door het parlement zien te loodsen. Het kabinet heeft geen meerderheid in de Eerste Kamer. Maar gezien de manier waarop Asscher omgaat met de oppositie, zou zijn opdracht kunnen slagen. De minister, zo klinkt het van links tot rechts, geeft de niet-regeringspartijen het gevoel dat ze er toe doen. Hij nodigt ze uit op het ministerie en legt tijdens Kamerdebatten de nadruk op wat hen bindt in plaats van wat hen scheidt. „Hij toont begrip voor ieders positie”, zegt CDA-Kamerlid Pieter Heerma. En Asscher benoemde niet voor niets Mirjam Sterk als ambassadeur jeugdwerkloosheid. Ze is van het CDA, en de steun van die partij kan Asscher goed gebruiken in de senaat.

De methode-Asscher is goed zichtbaar in de wijze waarop hij omgaat met de SP. Na een teleurstellende verkiezingsuitslag in september begonnen de socialisten tot aan de tanden toe bewapend met hun oppositie tegen Rutte II. Maar bij het sociaal overleg maakte Asscher ruimhartig gebruik van een SP-wetsvoorstel om de flexibilisering op de arbeidsmarkt te beteugelen. Hij nodigde Kamerlid Paul Ulenbelt, de bedenker van het wetsvoorstel, uit op zijn ministerie. En op de dag dat het sociaal akkoord werd gepresenteerd, stuurde hij hem een sms’je: „Paul, je kunt tevreden zijn over je flexvoorstellen.”

Tijdens het daaropvolgende Kamerdebat deed Asscher, zoals beloofd, aan ‘bronvermelding’: hij liet de naam Ulenbelt een aantal keren vallen. Het SP-Kamerlid, dat aanvankelijk sceptisch was, verloor er een paar flessen wijn mee in de fractie. Inmiddels bestaat er een gerede kans dat de SP in de Eerste Kamer niet alleen Asschers wetsvoorstel over flexibilisering, maar ook de vereenvoudiging van het ontslagrecht aan een meerderheid helpt. Zeker nu Asscher deze week ook tegemoet is gekomen aan een andere SP-wens: de gedeeltelijke terugkeer van de VUT – al mag die maatregel niet zo heten.

Maar ook als Asscher het sociaal akkoord heelhuids door het parlement krijgt, is het probleem van de werkloosheid niet opgelost. De minister zit in een lastig parket: als hij geen maatregelen aankondigt, krijgt hij het verwijt niets te doen. Tegelijkertijd weet hij dat banenplannen en subsidies uiteindelijk weinig uithalen.

„Je kunt het proberen met leuke programmaatjes, maar uiteindelijk is het roeren in dezelfde pot”, zegt Bert de Vries, die als minister van Sociale Zaken voor het CDA eind jaren tachtig ook te maken kreeg met hoge werkloosheid. „Je kunt mensen wel stimuleren om de arbeidsmarkt op te gaan, maar dan vindt er verdringing plaats. Er moet vraag zijn bij werkgevers, en die is er niet.”

De Vries heeft „bepaald geen slechte indruk” van Asscher, zegt hij. „Maar de marges voor een minister van Sociale Zaken om iets te doen aan de werkloosheid zijn tegenwoordig heel smal, vanwege de Brusselse begrotingsregels. Ik denk dat hem niet veel anders rest dan management by speech.”

Dat laatste is aan Asscher wel besteed. Niet voor niets zorgde hij er afgelopen donderdag voor dat zijn subsidies voor banenplannen ’s ochtends vroeg in een landelijk ochtendblad stonden – een paar uur voordat de nieuwe werkloosheidscijfers bekend werden.

Met medewerking van Ariane Kleijwegt