‘Ik reed op cafeïne. Ik vloog!’

Jan Janssen won in 1968 als eerste Nederlander de Tour. Hij zegt toen geen doping te hebben gebruikt. „ Je kunt de Tour op water rijden.”

„Ik heb nooit iets gebruikt waarvan ik dacht: dit kan mijn gezondheid schaden. Nooit iets buiten mijn dokter om gedaan.”
„Ik heb nooit iets gebruikt waarvan ik dacht: dit kan mijn gezondheid schaden. Nooit iets buiten mijn dokter om gedaan.” Foto Katrijn van Giel

J an Janssen (1940) zit in zijn tuin, aan de Vlaamse kant van de Grensstraat in Putte-Kapellen en gaat meteen van start. Eerste verhaal.

„Ken jij Bart Van Loo? Ik kende ’m niet. Ik ben met hem op uitnodiging van de VRT en Karl Vannieuwkerke drie dagen naar de Ventoux geweest. Voor Als God in Frankrijk, een tv-programma. De honderdste Tour, dan komt het verhaal van Simpson er weer aan.”

Hij haalt een stapeltje boeken tevoorschijn, van Bart Van Loo, in Nederland bekend van zijn aanstekelijke optredens in DWDD, van zijn verhalen over het Franse chanson.

Van Loo roept herkenning op bij de fotografe, Simpson minder. Janssen: „Die is achtergebleven, op die Ventoux, helemaal uitgeput, overleden. In 1967. Toen was jij nog niet geboren. Later die dag won ik, van niets wetend, de etappe in Carpentras. Ik moest daar voor dat programma een beetje over vertellen. Die Bart Van Loo wilden ze de Ventoux op laten rijden; had nog nooit op een racefiets gezeten…”

„Fiets gehuurd voor Bart, schoenen, helm, helemaal in ornaat, en die begint. Na een paar kilometers krampen natuurlijk, hij viel bijna van zijn fiets. Enfin, we komen aan in Châlet Reynard en daar staat Bernard, Jean-François, die daar nog een tijdrit won. Ik zeg: Jeff, monter jij die vent even op, hij zit er helemaal doorheen. Dat meen je niet, zegt Bernard, dat haalt ie nooit. Krampen weg gewreven, Bart weer op die fiets gezet, duwtje gegeven, en maar schreeuwen vanuit ons deux-chevauxtje, en maar roepen vanaf de kant: je klimt beter dan Pantani, je bent al voorbij het monument, volhouden, allez allez allez! En hij is boven geraakt. Drie uur over gedaan. Fles champagne en een bokaal. Heb ik hem uitgereikt.”

’s Avonds aan tafel kwamen de verhalen. Van Loo versus Janssen versus Van Loo. „Die gast houdt niet op. En aangezien ik er ook nogal een paar heb…” Over zijn collegiale vriendschap met Simpson bijvoorbeeld. De Brit die in Gent woonde en dikwijls met Janssen meereed naar de wedstrijden. „Een komische man, hoor! Stond hij ineens in de eetzaal, in kostuum, bolhoed en wandelstok. Pure British… In het begin reed hij soms dwars door een bevoorrading heen; pakte iedereen een zak, en hij demarreerde, vlogen al die zakken door de lucht. Hij was best recalcitrant… Dat hebben ze hem afgeleerd.”

Maar toen Tommy Simpson op 13 juli 1967, op anderhalve kilometer van de top van de Ventoux tegen het asfalt smakte, was dat allerminst komisch. Dat was diep tragisch. Zijn finish lag in het mortuarium van Avignon. Dood. Verderop in Carpentras won Jan Janssen een drie kwartier later de etappe, in een sprint met zeven.

„Euforie, prachtig, winst in etappe over de Ventoux! De helikopter had Simpson naar het ziekenhuis gevlogen, de koers ging door, Radio Tour hield zijn mond. Niemand wist ergens van. Ik lag op de masseertafel, toen mijn tweede ploegleider binnenkwam, Wout Wagtmans. ‘Jan, weet je wie er overleden is? Simpson.’ Ik schrok me kapot. De ochtend aan het vertrek was het muisstil. Die avond hebben we een Engelsman laten winnen, Hoban.”

Carnaval van amfetamines

De combinatie van hitte, ijle lucht, stimulantia en alcohol had Simpsons hart gekraakt. Een dopingdode, boekstaaft de geschiedenis. Veertig jaar voordat Lance Armstrong zijn zevende en laatste Tour won. Bij het monument van Simpson legt iedere randonneur die de ‘Kale Reus’ bedwingt een relikwie, de verwijten van verbijstering zijn vergleden naar berustende symboliek. Met Armstrong, die in 2012 toegaf grootverbruiker te zijn geweest van farmaceutica, is minder coulance. Het kwaad etterde ook na Simpson welig door.

Janssen was generatiegenoot van Major Tom, wereldkampioen in het amfetaminetijdperk. Daarna kwamen de steroïden, de anabolen en de cortisonen, daarna de stimulatoren van rode bloedcellen, de epo’s en de infusen. Met in het kielzog van Armstrong de biechten van (vooral) Amerikanen en Nederlanders.

Laten we het hebben over de kennelijke onuitroeibaarheid, Jan. Ja, wéér met de wielrenner centraal, hoewel in alle andere commerciële uitwassen van de sportieve entertainmentindustrie gelijke tred wordt gehouden. Maar daarover hoor je minder; veel minder.

Wat voor gevoel heeft Jan Janssen overgehouden aan de wilde wielerwinter van 2012-2013? Zijn flux de bouche schakelt opeens een versnelling lager.

Toch: „Ik zag al tien, vijftien jaar dingen gebeuren die niet kunnen. Op het buitenblad de berg op. Wij reden 42x21 omhoog, zij 52, 53 voor, 18 of 19 achter. Het wielrennen is in veertig jaar enorm veranderd, in alles, maar tegen zo’n berg op knotsen is toch hetzelfde gebleven. Dit moést een keer uitkomen.”

Hoe? „Door toeval. Als die Cassani, die Italiaanse oud-renner die voor de RAI werkt, als die niet had gezien dat Rasmussen in de stromende regen in de Italiaanse bergen trainde, had Rasmussen gewoon de Tour gewonnen. Cassani bracht in al zijn onschuld een nieuwtje , die wist echt niet dat Rasmussen op dat moment officieel in Mexico had moeten zijn. Houdt hij zijn mond, dan was de wielergeschiedenis heel anders geschreven. Jah?”

Janssen lijkt te willen zeggen: ander onderwerp, graag. Maar? „Een beetje insider voelde natuurlijk al lang dat er iets niet pluis was. Maar op zo’n grote schaal, en zo georganiseerd, zo omvangrijk – dat heeft me toch verrast. Joh, in onze tijd bestond dat gedoe met bloed allemaal niet. Ik kwam in het hotel, at alles wat er te eten was, ging op mijn bedje liggen, vroeg om een massage, sliep en herstelde. Ik had het voordeel dat ik erg goed herstelde.”

Geen roze of blauwe pilletjes? Wekamientjes, stenamientjes, efedrientjes – of hoe dat allemaal heette? Het was het carnaval van de amfetamines, immers? De tijd van eeuwig blijven draaien, etappes van zeven, acht uur, van tegen de 300 kilometer, dag in, dag uit.

Janssen kan niet doen alsof hij het voor ’t eerst hoort, maar hoor: in de tuin koeren de duiven.

„Eén ding is voor mij altijd duidelijk geweest: kampioenen komen al-tijd bo-ven-drijven.” Hij benadrukt zijn stelling in let-ter-gre-pen. „Of het nou met is of zonder, van een vierde klas renner kun je geen superkampioen maken.” Van een krijtezel geen renpaard.

Maar als het herstel een handje moest worden geholpen? „Ik heb renners helemaal in de kreukels zien liggen, onmenselijk gewoon. Dan vind ik dat de docteur zo’n renner moet kunnen oplappen. Niet met dingetjes waarvan je positief gaat plassen, maar wel met iets waardoor je de volgende dag weer aan het vertrek kunt staan. Ze zeggen altijd: de Tour kun je niet op water rijden. Ik zeg: de Tour kun je wél op water rijden. Hier zit het bewijs: Jan Janssen. Maar er is één voorwaarde: dan moet wel iedereen het doen.”

Eh, Fausto Coppi en Louison Bobet? Janssen vult het rijtje aan; „Jean Malléjac, Jacques Anquetil, Roger Rivière.” Gebruikers. Ze gingen zelfs in staking tegen de eerste dopingcontroles in de Tour (1966). Rudi Der Apotheker Altig: ‘Wij zijn geen sportlieden, wij zijn profs.’

Dus? „Ik heb nooit, nooit dingen gebruikt waarvan ik dacht: die kunnen mijn gezondheid schaden. Nooit iets buiten mijn dokter om gedaan. Amfetaminen stonden op de verboden lijst, hè…” Ja, epo ook. Het wordt pas anders als erop gecontroleerd kan worden.

Janssen houdt het achterste van zijn tong bedekt. De Nederlandse reactie op Armstrong, díe zit Janssen dwars. „Zo’n voorzitter van de bond, en die dopingman – die Wintels en Ram, die raaskallen maar wat. Die hebben toch geen benul van de wielersport? Bij meneer Wintels en meneer Ram te biecht, tja… Ik ben op meneer Wintels afgestapt en heb hem gezegd: waar ben je mee bezig? Die bekentenissen zijn van renners die zijn gestopt. Streep eronder. Hou je bezig met de toekomst.”

De wielerwereld graaft in het verleden, wijst met de vinger én verdedigt zich. Is het niet beter het waaróm te verklaren? Verzorgen moet kunnen, mits medisch verantwoord? „Een dokter heeft tien jaar gestudeerd, hè. Die zal het toch wel weten? Maar je hebt met tricheurs te maken, en met wetgeving. In sommige landen draai je het gevang in. Daarbij: als je het vrij gaat geven, dan staat de boel pas goed in de brand.”

Hoe lossen we dit op? „Je moet het wielrennen, de wielrenners op één lijn zien te krijgen. Vroeger was alles geconcentreerd op West-Europa, was het een kleine groep. Je zag elkaar drie, vier keer in de maand; nu zijn er renners, sponsoren en organisatoren over de hele wereld. En de belangen zijn zó groot geworden. Iedereen verdient aan de wielersport.”

„Papa heb de Tour gewonnen”

Janssen ziet de rododendrons bloeien. Tussen Kalmthout en Putte-Kapellen vormen ze een kilometerslange bloemenzee, alsof ze de Tourwinnaar van 1968 voor altijd willen eren.

‘De bebrilde Nootdorper’ schakelt met instemming door naar een verbaler verzet. Zes van zijn Nederlandse ploegmaats was hij al kwijt, toen de Tour nog in een beslissende plooi moest vallen. ’s Avonds moest hij soms zittend onder de douche worden opgelapt. ‘Janssen è morto’, riepen zijn Italiaanse collega’s in Saint-Gaudens. Toch loodsten Eef Dolman, Arie den Hartog, Eddy Beugels én persoonlijk verzorger José Vidal hem naar de ommekeer ten goede.

Vidal, belaste naam in het circuit waarin niet sportartsen maar soigneurs de dienst uitmaakten. Janssen betaalde hem uit eigen zak.

„Ik heb meteen gezegd: géén gedoe met spuiten, José; alleen wat is toegestaan. Én masseren. Die vent had een paar jatten, die woonde je helemaal uit. En geen tien minutenwerk zoals bij die Fransen, nee, drie kwartier. Hij bleef je pijnigen. De volgende dag was je lijf weer als nieuw.”

Janssen voelde dat hij niet kansloos was voor het geel: tweede in 1966, vijfde in 1967, dan kun je ook eerste worden. Bijna ging het nog mis, op de slotzaterdag. Een ontsnapping met de ondergeschikte Belg André Poppe, een kwartier vooruit. De Tourdirecteuren Goddet en Lévitan maanden Janssen en kornuiten tot actie: ‘Mais allez, rouler! Poppe va gagner le Tour!’

Janssen zocht steun bij zijn ploegleider Maurice De Muer, in deze Tour voor landenploegen sportdirecteur van de Franse ‘nationalen’; die wilde francs bij de vis. Hij zocht extra mankracht bij zijn Pelforth-ploegmaats; de criteriumcontracten van na de Tour kwamen ter sprake, en toen kwam de achtervolging op gang.

Kansrijk en overtuigd van zichzelf begon Janssen zondag aan de slottijdrit vanuit Mélun: derde met perspectief. Hij had het parcours nog nauwgezet verkend en kraakte het verzet van de Belg Herman Vanspringel in een subliem tweede deel. Voordelige slotbalans: 38 seconden voorsprong voor Jan Janssen.

‘Karin kindje, pappa heb de Tour gewonnen!’ De Belgen keken beteuterd, wilden zich pas gewonnen geven „na de uitslag van de dopingcontrole.” Daar heb je het weer…

Janssen zegt dat hij het nog nooit verteld heeft, maar… „Ik heb zaterdagavond de Tourarts, Dumas, op mijn kamer laten komen. Hoe zondag de dopingcontrole zou gaan. Monsieur Janssen, op míjn voorwaarden, zoals ik dat gewend ben. In een lokaal, broek omlaag, hemd omhoog, u plast in een glas, ik sta voor u en kijk ernaar. Dat geldt voor u, dat geldt voor iedereen. Toen was ik gerust. Het zou toch niet gebeuren dat ik geflikt werd.”

Zo gezegd, zo geschied. En, wat was de uitslag? „Van de tijdrit?” Nee, van de controle… „Nooit meer iets van gehoord.” Ook niet dat het negatief was? „Niks.” Het was zijn achtste, „nee, negende” controle in die Tour.

Na een korte pauze: „Wat ik wel had gedaan, is wat cafeïne genomen. Stond niet op de lijst. Maar jongens – ik vloog. Ik vlóóg! Ik heb daar een prestatie van formaat geleverd.”

Nederlands eeuwige eerste Tourwinnaar proost, op zijn geliefde wielersport, die hem nu al 45 jaar lang gelukzalig toelacht. Begin juni de Ventoux, straks een lang weekeind naar Corsica, op uitnodiging van oud-Tourdirecteur en -ploegmaat Jean-Marie Leblanc. „Ouwe vrienden ontmoeten, een paar dingetjes doen voor de honderdste Tourstart. Cora erbij, heerlijk.”

Doet het hem geen zeer, al die delicten van de voorbije weken, maanden, jaren. „Ach jongen, om het te begrijpen moet je erin hebben gezeten; maar om het écht te begrijpen sta ik al te lang aan de zijkant. Moet ik nou rancuneus zijn? Wie schiet daar iets mee op?”

Bovendien: zijn twee zoons hebben fietsen te verkopen; sport- en racefietsen. Geen elektrische; dan moet je je serviceapparaat uitbreiden. En het ís al zo gecompliceerd. Laatst konden ze nog net tien fietsen uit een dreigend faillissement terughalen; dertig mille gered. „Geloof me, de rijwielbranche die is nog ingewikkelder dan de beroepswielersport.”