Hoer

Wat mij het meest opviel aan de pittige lezing die Femke Halsema deze week hield over hulporganisaties in Syrië – die meer met elkaar bezig zijn dan met slachtoffers, en om donateurs te werven vooral fotogeniek leed aan de wereld tonen – is dat het klonk als een echo van een echo.

In instituten en organisaties bloeit de egocultuur

Ik bedoel niet dat er al eerder dergelijke kritiek klonk op het functioneren van hulporganisaties en NGO’s. Ik bedoel dat dergelijke kritiek tegenwoordig overal klinkt – op organisaties, bestuursorganen, partijen, instituten.

In zichzelf gekeerd, alleen met zichzelf bezig, niet met de zaak waar ze voor staan, nodeloos competitief – overal in Nederland, lijkt het wel, worden de middelen tegenwoordig belangrijker gevonden dan het doel. De financiële sector is schandelijk zelfbetrokken. De politiek verliest zich steeds in eigenwaan. De journalistiek dreigt aan zichzelf ten onder te gaan. Het onderwijs is verstrikt in zijn eigen organisatiestructuren. De zorg besteedt handenvol geld om zichzelf aan zichzelf uit te leggen. De kunstensector is te lang zelfverliefd geweest. Het museum staat nog altijd te vaak met zijn rug naar de samenleving.

De NS. Greenpeace. De diplomatieke dienst. Het VUmc. GroenLinks.

En binnenkort, ik voorspel het, de VVD.

Alles wat zich hier heeft georganiseerd, lijkt het, loopt uiteindelijk vast in zichzelf. Ieder wereldje, lijkt het, wordt op een gegeven moment een gesloten wereldje, waarin de eigen cultuur allesbepalend wordt. Wij hobbelen van incident naar schandaal, van commissie naar rapport – en dagelijks naar ons portie nutteloze verontwaardiging. Laten we kijken naar wat al die kritische rapporten en observaties met elkaar gemeen hebben.

Een bescheiden aanzet: bij organisaties en instituten die zich tot voor kort stevig verankerd wisten in de samenleving is het heilige moeten naar verloop van tijd op de achtergrond geraakt. Men hoefde nooit te vechten voor aandacht en publiek, de maatschappelijke noodzaak van het desbetreffende instituut behoefde geen verdere uitleg – iedereen zag toch zo wel dat het belangrijk was. En wie het niet zag, had iets niet goed begrepen. Jammer dan.

Zoals een voormalig bestuurder van het Koninklijk Instituut voor de Tropen het onlangs uitdrukte: „We hebben hier bij het KIT natuurlijk wel een zekere arrogantie gehad.”

Nu de subsidiestroom opdroogt, de oplagecijfers teruglopen, het publiek niet meer vanzelf toestroomt, nu de eerbied van de burger voor het eerbiedwaardige instituut vliegensvlug vervlogen is, moet men zijn bestaan ineens kunnen legitimeren.

Vandaar de nieuwe mantra: aansluiting bij de samenleving. Draagvlak. Transparantie. Samenwerken.

Maar aansluiting bij de samenleving zoeken, kan in de tijden van schaarste synoniem worden met schaamteloos de hoer uithangen. Om het broodnodige publiek te bereiken, maak je inhoud van je werk ondergeschikt aan het bereik ervan. Dat is het dilemma dat Halsema in haar lezing laat zien: juist om draagvlak te vinden bij de donateurs, ga je op de publieksvriendelijke toer – schokkende plaatjes voor de donateurs, hoerig hengelen naar nieuw publiek, shownieuws tussen je echte nieuws, onzintentoonstellingen in je museum en cabaret in je nieuw gebouwde theater, heel veel cabaret. Allemaal uit naam van de nieuwe herkenbaarheid.

Dus: in de oude instituten en organisaties stierven de ambities langzaam af omdat ze te veel voor kennis werden aangenomen. In de nieuwe dynamiek worden ze al gauw in de uitverkoop gedaan, vanwege de bezoek-kijk-oplage-cijfers.

In beide situaties bloeit de egocultuur: hier de regenteske bestuurder die nog eens gerieflijk achteroverleunt, daar de kekke idealist die zonder dat hij het zelf doorheeft allang reclameman is geworden. In beide culturen vecht men elkaar al snel de tent uit – in de eerste vanwege een vermolmde hiërarchie (trefwoord: angstcultuur); in de tweede omdat je je vanwege de competitiedrang al snel concurrent van je collega’s waant (trefwoord: angstcultuur). Vandaar al die slangenkuilen, die ernstig verstoorde verhoudingen en onwerkbare situaties.

De vraag is: hoe kun je ambities en overtuigingen oppoetsen, ze opnieuw inbedden in de samenleving, zonder ze meteen in de uitverkoop te doen?

Deze week bracht nrc.next een coververhaal van redacteur Toon Beemsterboer, die een letter van de Verklaring van de Rechten van de Mens in zijn pols had laten graveren, zodat hij er dagelijks aan herinnerd werd waarom hij ook al weer de journalistiek was ingegaan. Ik las zijn stuk met scepsis – moest dit op de voorpagina, was het geen loos gebaar, holle symboliek, ego-hipster-engagement? Maar toen stelde ik me voor dat iedereen zo’n zelfgekozen merkteken zou dragen, bestuurders, bankiers, politici, ambtenaren, journalisten, om jezelf er dagelijks aan te herinneren waarom je ook alweer doet wat je doet – en vond ik het zo’n gek gebaar nog niet.

    • Bas Heijne