Het digitale elders: de heerlijke nieuwe schermwereld Dit willen we voor internet: vorm en norm

Spontane acties om vermiste kinderen op te sporen, projectX in Haren: het gebruik van sociale media dringt door tot onze fysieke werkelijkheid. Internet vraagt om betere wegwijzers, betoogt Louis Stiller.

Iedereen moet ergens zijn. In het Amsterdamse Westerpark, bijvoorbeeld, op een zondags terras. Een wereld aan wolken schuift achter de voormalige gashouder, terwijl een reiger stoïcijns het watertje achter het terras in de gaten houdt. Twee kinderen spelen op het steigertje met takken. ‘Dit is mijn land en dan is dit dat van jou, goed?’

De mensen aan de ruwhouten tafeltjes op dit terras zien dit alles niet, want zij zijn – niemand uitgezonderd – aan hun scherm gekluisterd. Een gladgeschoren man heeft een gesprek via zijn smartphone; hij heeft het over zon, strand en Zandvoort en vraagt ‘staat er veel wind?’ terwijl zijn vingers over het display van zijn Samsung razen. Een mevrouw aan het tafeltje rechts wuift enthousiast naar haar notebookscherm. ‘Zwaai maar naar oma, Alicia. Wat doe je dat goed: helemaal uit Austrálië.’ Een tafeltje naast haar tikt een blonde studente verwoed op het toetsenbordje van haar netbook. Ik zie de blauwe bovenbalk van Facebook, de verspringende berichtjes, de webvertenties. Haar ogen schieten vuur, haar tong tsjikt voortdurend: ze is blijkbaar boos op iets wat door iemand wordt beweerd op haar scherm.

Waar zijn deze mensen, schiet het door me heen. Ze lijken niet hier te zijn. Maar als ze niet ‘hier’ zijn, waar zijn ze dan? Je moet toch ergens zijn, ook al is het in je verbeelding? De telefonerende man is wellicht een beetje in Zandvoort. Niet volledig, want het strand, de zee en de zoute wind zijn heel ver weg. En hoe de oma van Alicia ook haar best doet om via Skype bij haar kleinkind te zijn, het lukt haar maar ten dele want ze wordt niet zoals Alicia omringd door de droge Australische hitte, de rode aarde en een hemelsblauwe lucht.

Waar ben je, als je een beetje hier en een beetje daar ben? Ben je dan halverwege? Lijkt me niet. De oma van Alicia ziet niet de halverwegeplek New Delhi voor haar en de gladgeschorene is niet in gedachten in Haarlem. Waar zijn ze dan? Je moet toch ergens zijn – ook in je gedachten? Deze mensen zijn elders, bedenk ik me. Scherper kan ik het niet verwoorden. Elders: een woord dat vaag genoeg is om aan te geven dat iemand ergens moet zijn maar dat deze ‘plek’ onduidelijk, vaag en onbepaald is. Ze zijn in het nieuwe, digitale elders, besluit ik, al die mensen met hun schermen.

Hoe lastig dit digitale elders ook voor te stellen is, we zijn er steeds vaker. De schermen zijn overal: in de trein, de bibliotheek, thuis, op kantoor, in de klas, in het ziekenhuis en in de bankjes van de Tweede Kamer: de televisieschermen en monitoren, notebooks en smartphones, tablets en netbooks, interactieve plasmaschermen en google-brillen. Deze opmars der schermen is een onderhuidse revolutie die door geen enkele sciencefictionschrijver is voorzien. Tijdmachines genoeg, onderzeeboten, vluchten naar de maan, om de wereld reizen in tachtig dagen: genoteerd en uitgewerkt. Maar een leven dat door schermen wordt geregeerd?

Toch is dat wat er gebeurd is, het afgelopen decennium. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft nu meer dan 95 procent van de Nederlanders toegang tot een personal computer en een iets kleiner percentage (93 procent) internettoegang. Negentig procent e-mailt dagelijks, 40 procent is elke dag actief op een sociale netwerksite, bijna 60 procent winkelt wekelijks online.

Beseffen we wel ten volle wat dit betekent, dat we onze ogen, oren en handen het grootste deel van de dag op schermen richten? Wat gebeurt er met onze geest? Hoe veranderen ons gedrag, onze cultuur, onze normen nu we een groot deel van de dag tussen ergens en nergens rondhangen?

Bij Facebook zijn bijna acht miljoen Nederlanders aangemeld. Ook ik stortte me op de wereld van de digitale vrienden, duimpjes en zinloos gepor. Naarmate ik meer ‘vrienden’ kreeg en intensiever aan de digitale gesprekken deelnam, bekroop me het gevoel dat ik niet helemaal begreep wat er precies gebeurde. Waarom plaatste iemand dagelijks tientallen links over de duivelse daden van zaadveredelaar Monsanto: maandenlang, elke dag weer? Waarom vertelde een ander elke dag welk ontbijt hij die ochtend had verorberd? En waarom liepen sommige discussies zo gierend uit de hand?

Verbazingwekkend vond ik het hoe mensen die ik goed kende zich zo anders gedroegen op Facebook. Waarom konden sommige vrienden, die ik in het dagelijkse leven kende als zachtaardig en weldenkend, ineens zo hard, lullig of provocatief zijn? En waarom waren de anders zo uitgesprokenen mild en zacht geworden? Van anderen hoorde ik hetzelfde verhaal, maar dan vice versa. “Je bent zo anders, daar.”

Kan zijn, maar kan dat kwaad? We spelen altijd een rol en overal een andere, zegt filosoof Coen Simon, dus een probleem hoeft dat anderszijn niet te vormen. En waar kun je beter ‘iets anders’ zijn dan op het web? Het idee van internet was lange tijd immers dat het een digitale vrijplaats zou zijn. Een plek om te experimenteren met ideeën en gedachten die in het echte leven het daglicht niet konden verdragen: rebelse teksten, geheime documenten, tips om te freaken en cheats om een volgend level van Grand Theft Auto te kunnen halen. Beter je woede, frustratie, opstandigheid en plaaglust in de virtuele wereld bot te vieren dan in het echie.

Cruciaal is alleen of of het nog wel te scheiden is, het echie en het nonechie, het scherm en de werkelijkheid. Al in 1996 bedacht de invloedrijke Spaanse socioloog Manuel Castells de term Real Virtuality om aan te geven dat massamedia zelf een werkelijkheid scheppen en dat digitale apparatuur – de computer voorop – steeds vaker in ons werkelijke leven doordringt vaak zonder dat we het merken. In zijn monumentale werk The Information Age: Economy, Society and Culture laat hij zien dat de ideologie, de cultuur en de structuur van de digitale wereld makkelijk in ons leven doorsijpelen. „Het is een systeem waarbij de werkelijkheid […] volledig ondergedompeld is in een virtuele beeldomgeving, in de wereld van de fantasievolle schijn, waarin verschijningsvormen niet alleen op het scherm worden geprojecteerd als onderdeel van een ervaring, maar waar ze zélf de ervaring worden.”

Castells voorspelde een kleine twee decennia geleden al de vervreemdende ervaring hier op het terras in Westerpark: de verschillende werkelijkheden die naast en door elkaar heen lopen. Van de skypende grootmoeder die deels in het Australië van haar kleindochter is tot de studente die zich opwindt over een opmerking op Facebook.

Vooral dit laatste blijft me intrigeren, omdat het zo bij de digitale cultuur lijkt te horen: de opwinding, het boos-worden, de hoge woorden, de zo makkelijk uit de hand lopende discussies. Waarom is dit? En waarom zoveel vaker en heftiger dan in het echte leven?

Mensen gedragen zich anders op Facebook omdat ze niet meer weten waar ze zijn. Ik heb het wel eens gevraagd aan Facebookvrienden: waar denk je dat je bent als je op Facebook bent? De antwoorden die ik kreeg, waren vrijwel altijd schimmig en ontwijkend. Aarzelend verschenen soms de vergelijkingen met stamkroegen, buurthuizen, pleintjes of clubs, maar voor de meeste Facebookgebruikers voelt het blijkbaar niet echt alsof ze daar in een ruimte ronddwalen.

Dat kan ook moeilijk want Facebook ziet er vrij eenvoudig uit met zijn drie kolommen (persoonlijk profiel, berichten, commercie) waarvan de middelste door gebruikers ingevuld wordt met berichten, foto’s, filmpjes, links en commentaar. Beeld en verbeelding moeten door de gebruiker zelf worden toegevoegd.

Facebook werd ooit ontworpen als de digitale variant van een Amerikaans universiteitsjaarboek: een smoelenboek waarvan de papieren pagina’s zijn vervangen door digitale code en schermvormgeving. Die paginaplatheid draagt Facebook nog steeds in zich, hoeveel apps, toeters en bellen er inmiddels ook aan zijn toegevoegd. Een gevoel van ‘plek’ geeft het niet.

De Digitale Stad had pleinen, cafés en een stadhuis. Online winkels werden als digitale shopping malls ingericht, compleet met etalages, kasten en toonbanken. (Het enige wat daar nu nog aan herinnert, is het digitale winkelkarretje). Al snel bleek dat deze manier van denken en ontwerpen allerlei ontwikkelingen tegenhield. Hoeveel boeken kun je in een virtueel schap kwijt? Hoe kun je een half miljoen gebruikers in een nagebouwde stad onderbrengen, zonder het overzicht te verliezen?

Sinds enkele jaren wordt er door webdesigners geen enkele poging meer gedaan om een bestaande driedimensionale ruimte op te roepen in onze verbeelding. Wie bij Bol winkelt, loopt al lang niet meer langs virtuele boekenplanken, maar beweegt zich door een gigantische, verfijnd -verbonden database, die er in de verste verte niet meer als een fysieke boekwinkel uitziet. En Facebook is allang geen smoelenboek meer maar een tamelijk abstract ingericht digitaal berichtencentrum.

Ruimtelijke vaagheid zorgt er voor dat iedereen van Facebook zijn eigen stek maakt. Hoe vager het beeld, hoe meer je eigen geest aan het werk wordt gezet.

Het maakt nogal uit of je denkt dat je in een kroeg, een kantine, een dorpshuis, een buurtpleintje of een privéclub denkt te zijn als je op Facebook in discussie gaat. Vage vormen leveren vage normen, weten stedenbouwers en architecten al heel lang. Goede architectuur geeft aan wat de regels op een bepaalde plek zijn en wat de consequenties zijn bij overtreding. Een justitieel paleis geeft door zijn inrichting, architectuur en vormgeving andere gedragsregels door dan een voetbalkantine.

Waar vorm vervaagt, is de kans groot dat de norm vervaagt. In de anonimiteit en vaagheid van het internet is het nu eenmaal gemakkelijker om je emoties te laten gaan en grenzen te overschrijden. Vanuit de veiligheid van de eigen huiskamer of een internetcafé is het eenvoudiger om iemand te bedreigen of te bedriegen dan op straat, bij de kapper of in de supermarkt. Mensen die er niet over zouden piekeren om een cd of een dvd uit een winkel te jatten, hebben er vaak totaal geen moeite mee om muziek of films illegaal binnen te halen op hun harde schijf.

En dat komt omdat het digitale elders – buiten de architectonische vaagheid – nog een kenmerk heeft: het is een wereld zonder consequenties, zonder échte gevolgen. In een racespelletje kun je met tweehonderd kilometer per uur uit de bocht vliegen zonder dat het je leven kost. Nieuwe levens, nieuwe rondes. Scheld je iemand uit in een café, dan kun je een oplawaai krijgen. Doe je hetzelfde op Facebook dan loop je hoogstens de kans dat iemand – oeioei! – je ontvriendt.

En nu is deze vage, grenzeloze, consequentieloze mores van de schermwereld naar het echte leven doorgesijpeld, zoals Castells twee decennia geleden voorspelde. Vrijwel elke dag staan de grensoverschrijdingen in de krant – van de Facebookrellen in Haren tot de bizarre reacties en tegenreacties op het Koningslied. Van de DDoS-aanvallen op Nederlandse banken tot de spontane, massale, hartverwarmende burgeropsporingsacties na het verdwijnen van twee jongens.

Wat als mensen zich In Real Life net zo gaan gedragen als op Facebook, shockblogs en reaguursites? Waarom zou je je immers anders gedragen in de trein of in de supermarkt dan op Facebook of Twitter? Natuurlijk nemen we onze maatregelen. Wie iets twittert over een aanslag op school wordt opgepakt en meegenomen voor verhoor – vaak tot verbijstering van de jonge daders zelf (en hun ouders). „Het was maar een geintje.” Tuurlijk, tuurlijk, maar kom toch maar even mee.

De tijd van pappen en nathouden lijkt voorbij. De vraag is alleen of we al die grensoverschrijdingen wel kunnen zien, opsporen en bestrijden. Ze komen immers lang niet altijd uit Eindhoven of Leiden-Zuid maar ook uit Costa Rica, Bulgarije of China. Bovendien – en dat is veel bedreigender – vertelde Castells ons al dat de mores van de schermwereld allang onzichtbaar is doorgesijpeld in onze cultuur. Wij zijn al deels aan de andere kant van het scherm beland. Wij zijn al in het digitale elders – zelfs al zit je, zoals ik op deze zondag, zonder scherm op een terras.

Dat de schermwereld zijn ideologie, normen en gebruiken aan ons aan het opdringen is zie je, zoals zo vaak, het beste aan een wereld waar we niet dagelijks mee te maken hebben: de oorlogsindustrie. Van de chemische slagvelden van de Eerste Wereldoorlog tot de geleiderakketten van de Irakoorlog – vaak worden nieuwe technologische inzichten, ideeën en ideologieën in oorlogssituaties tot hun uiterste grens opgerekt. Kijk naar het antiterrorismebeleid van de Amerikanen en hun bondgenoten in het afgelopen decennium. Talloos zijn de gevangenissen en nachtvluchten die op papier niet bestaan maar die wel honderden verdachten opleverden die jarenlang zonder proces en advocaat zijn opgesloten. Het is dezelfde tactiek als de vage mirrorsites, hackerscollectieven en spamservers lange tijd hanteerden: blijf vaag en kies steeds elders domicilie. Op dezelfde manier werd door de antiterrorismecoalitie een schemerwereld van niet-echt-bestaande gevangenissen opgericht, die allemaal voldoen aan de kenmerken van de schermwereld: vaag, onkenbaar en zonder consequenties. Want wat niet bestaat, daar hoeft geen verantwoording over afgelegd worden.

Een andere schimmige morele oprekking van de schermcultuur zijn de drones – de onbemande vliegtuigjes waarmee de laatste jaren op terroristen wordt gejaagd. Waarin verschillen die van xbox- of wii-games? De speler zit achter het scherm, koffie bij de hand en probeert huizen en vluchtende terroristen op te jagen. Met slechts een klein verschil: door drones sterven mensen echt (en niet weinig). Game over maar geen new life voor Afghanen, Pakistanen en Yemenieten.

Oorlog wijst op de komst van een nieuwe cultuur, zoals zo vaak, en dus zal in ons eigen leven de schemerige schermwereld misschien nog wel sneller doordringen dan we geneigd zijn denken. Wat kun je eraan doen om dit te voorkomen? Allereerst alert worden op grensoverschrijdingen: al die ongewenste doorsijpelingen van de schermcultuur in de werkelijkheid. Probeer te begrijpen waarom ze plaatsvinden. Overtredingen op dit gebied – van spam tot twitterbedreigingen – mogen we niet langer afdoen als spelletjes op de vrijplaats maar moeten we net zo serieus bekijken en bestrijden als in de fysieke werkelijkheid.

Maar bovenal moeten we op zoek naar een nieuwe vormgeving die niet gestoeld is op de architectuur van de fysieke wereld (de winkels, pleinen en straten), maar op een andere, eigener architectuur die wél duidelijk maakt waar de grenzen liggen. De wereld van het scherm heeft behoefte aan nieuwe wegwijzers.

Louis Stiller is schrijver, essayist en hoofdredacteur van Schrijven online. Hij schreef o.a. Stillers omgang.