Degelijk Duits burgerding

BMW heeft de X-factor, maar de stationman kiest voor de Mercedes E, zegt Bas van Putten.

fotografie: Lars van den Brink Onderwerp: Mercedes S220 estate gefotografeerd bij Mercedes Nederland. Op de foto monteur Richard Quartey.
fotografie: Lars van den Brink Onderwerp: Mercedes S220 estate gefotografeerd bij Mercedes Nederland. Op de foto monteur Richard Quartey.

De ideale Mercedes E-klasse was stijlvol traag als een langzame wals. Professionals kochten een diesel met automaat, schuifdak en glanshout op het dashboard. Taxiondernemers bestelden de sedan, aannemers een combi. Het genoegen had een hoge prijs maar het eeuwige leven. Het voor een topmerk theoretisch destructieve taxistigma van de diesels was als bewijs van onverwoestbaarheid een blessing in disguise. Dit was de Golf voor de onderkant van de bovenbouw.

Toch ging het mis. Na de eerste E-klasse werd de grote middenklasser van Mercedes-Benz een auto op zoek naar een stijl. De debutant, typecode W124, stelde met zijn ordelijke soberheid een norm die voor alle opvolgers het struikelblok zou blijven. Geen van hen bereikte dat klassieke evenwicht tussen monumentaliteit en terughoudendheid. De W210 (1995-2002) was een kwalitatief ontluisterende poging met zachtere vormen een nieuwe tijdgeest te behagen, de W211 (2002-2009) van een karakterloosheid die Mercedes met de recentste E-klasse, de W212, zo overtrokken corrigeerde dat het resultaat deed denken aan een Chinese imitatie van een echte Benz.

Dat vond Mercedes ook. Vier jaar na zijn introductie is de W212 onderworpen aan een facelift die letterlijk recht buigt wat krom was. Gesneuveld zijn de overgestileerde dubbele koplampen en de bogen over de wielkasten achter, die halfbakken poging aan te knopen bij de rondingen van Benzen uit de jaren vijftig. Hij is klassieker en eenvoudiger gemaakt. In het dashboard is zelfs een analoog klokje opgenomen met de looks van een historisch polshorloge. Instappen is thuiskomen; digitale hightech, ledverlichting en intelligente veiligheidsassistentiesystemen hebben de dood gewaande E-coëfficiënt niet aangetast.

De E-klasse E 220 CDI Estate is een haast ouderwetse auto. Met de Volvo V70 en de Skoda Superb Combi vertegenwoordigt hij het uitstervende ras van de grote stationcar. Menige station werd per modelwissel gelikter en claustrofobischer toen de industrie ontdekt had dat uitstraling en dynamiek betere verkoopargumenten waren dan transportcapaciteit. De klant kreeg structureel te weinig voor te veel, het was inflatie. Toen kwam de crisis en na jaren krimp zien we ontnuchterd wat die branchevervuiling heeft gebracht. Onrecht.

Kernwaarden

De voortreffelijke BMW 5-serie Touring, belangrijkste tegenspeler van de E-klasse, heeft met neergeklapte achterbank een laadvolume van 1.670 liter, de Mercedes 1.950. Het is niet dom gedacht dat van twee stationwagens, ernstige gebreken voorbehouden, de ruimste wint – daar gaat hun genre over. Toch is de BMW succesvoller. Met alle respect; hij pakt zijn winst op zijn X-factor. BMW is Apple, Mercedes HP.

De Mercedes is niettemin de station die de stationman moet willen hebben. Hij conserveert de kernwaarden van zijn type. Je duikt in die auto als een historicus in een groots verleden. Met de rugleuning neer kan ik in het laadruim slapen, op of naast matrassen en geliefden, kasten, contrabassen. Lengte is luxe.

Voor de sfeer neem je een van de basisdiesels. Met zo’n ongelooflijk zuinige common rail viercilinder – 1 op 19 is haalbaar – wordt de 220 CDI weer helemaal dat archetypisch degelijke Duitse burgerding. Bijna. Gelaten zie je Mercedes uit angst voor oubolligheid stiekem aanpappen met de fetisj van de automarketing; sportiviteit. De automaat laat zich, aandoenlijk ongepast in een transportmiddel, met flippers aan het stuur bedienen, en de auto stuurt veel beter dan Mercedes-rijders van hun lijkwagens gewend zijn. De altijd wat indirecte, looiige besturing is aangescherpt, het onderstel verhoudt zich tot dat van zijn voorgangers als een zandbodem tot een moeras. De oorzaak, uiteraard: die verdomde BMW’s. Vering en demping voeren een succesvolle maar nodeloze koude oorlog met het merk van de Freude am fahren.

Dit is dan ook een ‘Avantgarde’. De nieuwe E is, zoals de kleinere Mercedes C-klasse al eerder, voortaan met twee gezichten te bestellen. De sportief bedoelde Avantgarde heeft de chroomloze muil van de nieuwe Mercedes-huisstijl, de traditioneler gestileerde Elegance de klassieke Mercedes-neus met de verchroomde grille en de Mercedes-ster als een weerhaan op de boeg.

Avantgarde; de naam vertolkt een diep verlangen uit het keurslijf te breken. Automerken willen net als mensen altijd zijn wat ze niet moeten willen; Ford premium, Volvo cool, Mercedes modieus. Nergens voor nodig. Een echte E-klasse is zijn tijd niet vooruit, hij staat erboven. Van mij mag hij veren als een derderangs hotelbed, ik wil hem kalm en waardig. Deze is het, in weerwil van zijn naam en zijn concessies aan de mores van de concurrentie. Eredivisie.