Brieven

Bergtalen

In het artikel ‘Bergtalen klinken anders dan talen van laagland’ (Wetenschapspagina, 13 juni) wordt beweerd dat het Nederlands oorspronkelijk door een toeval niet de begin-G van ‘garage’ kent. Dat is onjuist. Het Nederlands heeft net als andere Indo-Europese talen een G gehad. De k in woorden als aanvankelijk, oorspronkelijk, koninkrijk en harinkie is er ’t bewijs van. De k in deze woorden is namelijk de stemloze tegenhanger van de stemhebbende plosief G.

Stemhebbende medeklinkers worden in ’t Nederlands op ’t woordeinde stemloos: naast bedden zeggen we bet, naast hebben zeggen we hep. Zo zeiden onze voorouders koninGen naast konink. In een volgende periode veranderde de plosief G (alle G’s dus) in ’n spirant, de g van goed. Dat gebeurde ook met de G in koningen, dat van dan af met een g werd uitgesproken, zoals veel Nederlanders nu nog koningin zeggen. In het enkelvoud en in afgeleide woorden bleef de k bewaard. Toen de combinatie n+g later assimileerde tot ng, en het meervoud koningen ontstond, is daar ’t enkelvoud koning weer van afgeleid. Maar aanvankelijk, oorspronkelijk, koninkrijk en harinkie hebben nog steeds die k.

Jan Stroop,

Taalkundige (UvA), Zaandam

Scholeksters (3)

De brief van S. Dekker (Wetenschapsbijlage, 15 juni) waarin deze signaleerde dat scholeksters steeds verder landinwaarts worden waargenomen, deed me denken aan mijn ervaring van begin juni jl. toen ik ’s morgens om vijf uur in bewoond gebied aan de rand van mijn woonplaats Borne de roep van een koekoek hoorde op een afstand van nog geen vijftig meter, in een eikenbosje: twee roepbeurten en kort daarop nog een in de verte.

Mijn ervaring van jongsaf is dat koekoeken zich bij voorkeur ophouden in dun- en onbewoonde gebieden met veel houtopslag waar veel zangvogels nestelen.

Het lijkt er blijkens die ochtendlijke waarneming op dat deze schuwe, parasitaire vogel die zijn eieren in een onbewaakt ogenblik in het nest van zo’n zangvogel deponeert en laat uitbroeden langzamerhand ook gaat domesticeren zoals de genoemde scholekster. In oostelijk Nederland is die met meeuwen en andere strandvogels overigens al lang ‘ingeburgerd’.

Jan Wopereis

Borne

Luistertaal

Die ‘luistertaal’ (‘Liever luistertaal, Wetenschapsbijlage 15 juni) is absoluut geen nieuw fenomeen. Mijn zus trouwde 40 jaar geleden met een Duitser en ging op de Hunsrück wonen. Zolang mijn zus nog niet zo perfect Duits sprak, en om mijn zwager te ‘oefenen’, spraken beiden hun eigen taal, maar verstonden dus de andere taal. Ook ik hanteer bij mijn frequente bezoeken deze methode, en hoewel ik ondertussen een aardig woordje Duits spreek, werkt deze ‘tegenspraak’ perfect. Mijn zwager beheerst nu redelijk de Nederlandse taal, maar gemakshalve blijven we deze methode gebruiken.

Met het platte Hunsrücks kan mijn zus intussen ook enigszins overweg, maar voor mij blijft het lastig te volgen vanwege de wat vreemde klanken en het gebrek aan oefening – reden om maar weer eens die Heimat-dvd’s op te zetten…

Ferry Ballhaus

Den Haag

Taal en rekenen

‘Meer aandacht voor taal verbetert het rekenen’ (Wetenschapspagina, 12 juni): onvoldoende taalvaardigheid benadeelt rekenen en wiskunde. Andersom kan ook gesteld worden. De verzamelingenleer, een specifieke tak in de wiskunde, bevordert het taalgebruik. In 1977 heb ik aan de TH Delft wiskunde colleges voor de eerstegraads lesbevoegdheid wiskunde voor het VWO gevolgd. Naast colleges werd gebruik gemaakt van een boekwerkje over de verzamelingenleer. Voorin stond de volgende stelling: ‘Voor correct taalgebruik is vertrouwdheid met de verzamelingenleer onontbeerlijk’. Dit vond ik aanvankelijk bizar, maar ik heb mijn mening 180 graden bijgesteld. De verzamelingenleer geeft houvast bij het formuleren van gedachten en het vormen van tekst. Bijvoorbeeld: hoofdzin, bijzin versus hoofdverzameling, deelverzameling.

Ir. R. Dekkers

Rhoon