‘Bindmiddel in crisistijd’

Jean-Marie Leblanc was directeur in een dopingtijd. De de liefde voor de sport blijft. „Helden blijven helden.”

Peter Vermaas

Jean Marie Leblanc geeft startschot voor een Touretappe.
Jean Marie Leblanc geeft startschot voor een Touretappe. Foto Cor Vos

De vraag was of de Tour de France nog even mooi is als vroeger.

„Ik denk het niet”, begint Jean-Marie Leblanc, Tourdirecteur van 1988 tot 2006. „De coureurs zijn met die helmpjes nauwelijks meer te herkennen. Ik stond laatst als gewone toeschouwer langs de kant bij een koers en zoef, in een paar seconden was het hele peloton voorbij. Ik zag geen enkele bekende! En dan de moderne communicatie. Vroeger was er zwier, improvisatie en waanzin. Nu, met die oortjes waarin de ploegleider de koers uitzet, is alles zo gestructureerd, zo ontzettend voorzichtig. Jammer, jammer.”

De vraag ging over doping. Of de vele affaires van de laatste jaren het eigenlijk nog wel de moeite waard maken om de Tour de volgen. Of hij er zelf eigenlijk nog wel van geniet. Maar aan de telefoon had Leblanc (68) al gewaarschuwd: over doping heeft hij in zijn werkzame leven al veel te veel gesproken. „Steeds weer die vragen over Armstrong, ik begin er genoeg van te krijgen”, zei hij bij het maken van de afspraak voor een interview. Alsof dat het enige is waar je aan de vooravond van de honderdste editie over kunt praten.

„De Tour is ouder dan de affaires, de Tour is sterker dan welke winnaar ook. Het blijft een sport met grote betekenis waar de mensen van houden. De helden blijven helden, en er is het Franse decor en de ambiance. Wel eens bedacht hoe vreedzaam de wielersport eigenlijk is? Iedereen juicht voor iedereen, geweld is er nooit. In tijden van crisis hebben we de Tour de France nodig om verenigd te blijven.”

Hij glundert, praat maar door. Geen twijfel mogelijk: wielrennen blijft de mooiste sport. Achttien jaar lang volgde Jean-Marie Leblanc de Tour vanuit de eerste volgwagen. Nu staat hij aan de zijlijn. Letterlijk soms ook: in 2007 ging hij met klapstoel en koelbox naar Alpe d’Huez om één keer zelf de renners voorbij te zien rijden. „Voor het eerst zag ik de reclamekaravaan: magnifique!

Hij was als voorzitter van de ‘Amicale du Cyclisme’, een vereniging voor oud-Tourrenners, eerder deze maand even op de top van de Tourmalet, vertelt hij in een onooglijk cafeetje even achter de begraafplaats Père-Lachaise in Parijs. „We herdachten het feit dat honderd jaar geleden Eugène Christophe in de gele trui ten val kwam en de voorvork van zijn fiets brak. De man loopt tien kilometer naar het dorpje Sainte-Marie-de Campan, vindt een smederij en repareert zelf zijn fiets. Technische assistentie was niet toegestaan en natuurlijk heeft hij de koers uiteindelijk verloren, maar zo’n verhaal blijft legendarisch. Daarover spreken we tot op de dag van vandaag.”

Leblanc, eind jaren zestig begonnen als wielerverslaggever van La Voix du Nord en later wielerchef van sportkrant L’Equipe, grossiert in dit soort historische anekdotes. Veel uit de tijd van vóór de televisie trouwens. „Toen moest je als wielerjournalist nog over een goede verbeeldingskracht beschikken om over de koers te kunnen schrijven. Je zag tenslotte niets. Je mocht blij zijn als je, zoals Albert Londres in 1924, ooit wat klagende renners in een café tegenkwam. Hij kwam met de uitdrukking forçars de la route (slaven van de weg), wist je dat? Dat epische, dat hoort bij het wielrennen.”

De dopingzaken, die zijn van een andere orde. Ze zijn hem niet in de koude kleren gaan zitten. Le Tour de Dopage in 1998, met de invallen bij de Festina-ploeg van de Franse volksheld Richard Virenque, blijft voor hem het referentiepunt. „Dat een dopingprogramma zo professioneel georganiseerd kon zijn, zo stelselmatig, dat was zelfs voor mij een schok.” Maar is het nieuws van de laatste jaren nu juist niet dat alle wielerploegen zulke programma’s hadden? „Daar weet ik niets van”, zegt Leblanc subiet. „Misschien ging het er overal zo aan toe, maar we hebben de bekentenissen van Festina en niet van andere ploegen. Daarbij vergeleken was Lance Armstrong slechts een individuele ontsporing.”

De naam is gevallen. Van de negentien rondes die Leblanc organiseerde, zijn er sinds het rapport vorig jaar van het Amerikaanse dopingagentschap Usada zeven zonder winnaar. In het voorwoord van een deze maand verschenen boek over de geschiedenis van honderd Tours, komt Leblanc nog één keer op de gevallen coureur terug. Armstrong is de ‘Bernard Madoff van de sport’, schrijft hij: een meesteroplichter die iedereen, de koersdirecteur incluis, voor het lapje heeft gehouden. „Armstrong heeft de Tour de France bedrogen, het publiek, de media, iedereen die geloofde in zijn sportieve verdiensten en, erger, hij heeft de sport verraden.”

Ja, hij voelt zich ook persoonlijk door Armstrong misleid. Maar kenmerkend voor Leblanc: hij begint de voor zijn doen scherpe tekst in het boek met een positieve noot over de grote kampioen die de Amerikaan in zijn ogen blijft. Hij schrijft over de negende etappe in de Tour in 2003, als Armstrong enkele kilometers voor de aankomst in Gap moet uitwijken voor de gevallen Spanjaard Joseba Beloki. Zonder aarzelen en met ongekende behendigheid manoeuvreert de geletruidrager zijn fiets het weiland in. „De beelden getuigen van koelbloedigheid en reflexen die deel uitmaken van de het scala aan eigen kwaliteiten van wielerkampioenen.” Daar was, wil Leblanc zeggen, geen epo voor nodig.

Het tekent niet alleen Leblanc zelf, ook het sentiment in Frankrijk: de Tour blijft ondanks alles de Tour. Doping was er altijd al, zelfs in de tijd dat Jean-Marie Leblanc twee keer met weinig succes meereed. Hij was knecht van Jan Janssen bij Pelforth, kwam in de Franse nationale ploeg voor het eerst aan de start van de Tour in 1968, een jaar nadat Tom Simpson op de Mont Ventoux onder verdachte omstandigheden bezweken was. „De schok over Armstrong”, denkt Leblanc, „werd in Frankrijk meer gevoeld bij de media dan bij de gewone wielerliefhebber.”

En met de kennis van nu is het „makkelijk oordelen”, zegt hij. „Ik ken geen sport waar de acteurs zo gecontroleerd en gevolgd worden. Al jarenlang moeten ze aangeven waar ze wanneer zijn, we controleren ze voor en na de race, binnen en buiten de competitie. De internationale wielerunie UCI en zijn [oud-]voorzitter Hein Verbruggen zijn volgens mij te zwaar bekritiseerd. Natuurlijk zijn er renners die liegen en bedriegen, maar wat konden we nog meer doen? Het is jammer dat de meeste ontmaskeringen van de politie of de douane kwamen, want het was echt niet zo dat we als sportbestuurders de fraudeurs niet wilden aanpakken.”