Zó Oerol

Op het Terschellinger theaterfestival Oerol gaat het onder het publiek bijzonder vaak over de vraag of iets al dan niet ‘Oerol’ is. Met drie naast elkaar over het fietspad fietsen is asociaal, en daardoor niet ‘Oerol’. Overigens wordt door anderen dan weer tegengeworpen dat klagen over fietsers niet ‘Oerol’ is. Het is heel grasmaaier om

Op het Terschellinger theaterfestival Oerol gaat het onder het publiek bijzonder vaak over de vraag of iets al dan niet ‘Oerol’ is. Met drie naast elkaar over het fietspad fietsen is asociaal, en daardoor niet ‘Oerol’. Overigens wordt door anderen dan weer tegengeworpen dat klagen over fietsers niet ‘Oerol’ is.

Het is heel grasmaaier om te staan roesten in de stal

Het op deze manier gebruiken van het woord Oerol is redelijk modern. Vroeger zou je misschien zeggen: „Met drie naast elkaar fietsen, dat past niet bij Oerol.” Of, directiever: „Dat hoort niet.” Tegenwoordig is het echter gebruikelijk om allerlei soorten woorden te gebruiken als bijvoeglijk naamwoord. Een voorbeeld. Op Oerol lopen allerlei vrouwen rond met bloemetjesjurken en laarzen daaronder. Over zulk soort vrouwen kun je zeggen: „Die vrouwen zijn zó Oerol.”

Traditionele bijvoeglijke naamwoorden (zoals ‘rood’) kun je verplaatsen binnen de zin (de tafel is rood/de rode tafel). Dat lukt bij de moderne bijvoeglijke naamwoorden moeilijk: „Daar lopen wat Oerolle vrouwen”, klinkt bijvoorbeeld helemaal niet. (Of je zou er weer Oerollig of Oerollerig van moeten maken, maar dan maak je er weer een ‘officieel’ bijvoeglijk naamwoord van.)

Deze nieuwe, ter plekke bedachte bijvoeglijke naamwoorden worden breed gebruikt. Voor jezelf bijvoorbeeld: „Dus ik had mijn kop koffie op het dak van mijn auto gezet en ik rij zo weg! Echt weer zó mij.” Ook hele zinnen kunnen ingezet worden als bijvoeglijk naamwoord: „Hella is leuk, maar wel heel erg ‘ik zet een babystemmetje op want dan vinden ze me schattig’.”

Daarnaast kunnen plekken worden vermaakt tot een bijvoeglijk naamwoord: „Wat ook heel erg Barcelona is, is de hele avond tapas grazen en pas om elf uur ’s avonds echt gaan eten.”

Overigens leent lang niet elk woord zich voor het bijvoeglijk naamwoordschap: „Het is heel grasmaaier om te staan roesten in de stal.” Dat klinkt vooral absurd.

Toen ik klein was (de jaren tachtig), waren deze nieuwe bijvoeglijke naamwoorden er nog niet. Op een bepaald moment kwamen ze op, ik weet niet meer precies wanneer. Maar toen ze er net waren, moesten er nog aanhalingstekens om ze heen gezet worden: „Die broek van hem is wel heel erg ‘MC Hammer’.” Inmiddels zijn ze zo ingeburgerd dat ze gewoon naakt in de zin staan. Wat eigenlijk weer heel Oerol klinkt, naakt in een zin staan.