Vergeten parlementaire pioniers

Waar ligt de oorsprong van de Nederlandse parlementaire democratie? Doorgaans wordt gewezen naar de grondwetswijziging van Johan Rudolph Thorbecke van 1848 of, nog ouder, naar de politieke instellingen van de Republiek der Verenigde Provinciën uit de Gouden eeuw. Recentelijk wordt de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in de jaren 1813-1815 genoemd als een belangrijk moment in de parlementaire ontwikkeling van ons land. Veel minder nadruk krijgt nog steeds de Bataafse republiek (1795-1801) als cruciale periode in de ontwikkeling van het Nederlandse politieke bestel.

Welke hoog opgeleide Nederlander kent bijvoorbeeld Pieter Paulus, de vroeg gestorven eerste voorzitter van de nationale vergadering, of Pieter Vreede, de leider van de radicale staatsgreep van 22 januari 1798, of Willem Anthonie Ockerse, auteur van de eerste grondwet van 1798? Terwijl de revolutionaire leiders in landen als de Verenigde Staten en Frankrijk bijna als heiligen geëerd worden als de ‘founding fathers’ van de natie, heerst er in Nederland rondom deze personen en de periode van hun finest hour een overdonderend stilzwijgen.

Het was juist in de gewelddadige en roerige jaren rondom 1800 te midden van buitenlandse invasies, (bijna-) burgeroorlogen en staatsgrepen dat de Nederlandse eenheidstaat werd gesmeed. De twee prachtige boeken, geschreven door de Amsterdamse historici Mart Rutjes en Joris Oddens over de politieke wereld van deze Bataafse revolutionairen, ‘de proeftuin van de vertegenwoordigende democratie’, zijn dan ook meer dan welkom.

Rutjes en Oddens beschrijven de veranderingen die het gevolg waren van de Bataafse revolutie niet zoals eerdere historici als de bekende Brit Simon Schama hebben gedaan als een strijd tussen de sociale groeperingen, maar in de eerste plaats als een transformatie van de politieke cultuur. Politieke ideeën, symbolen en rituelen staan centraal in hun visie op de Bataafse politieke wereld.

De befaamde invasie van de Franse revolutionaire legers in januari 1795 over de bevroren rivieren maakte een einde aan de twee eeuwen oude Republiek der Verenigde Provinciën. Weinigen betreurden de ineenstorting van het oude bestel, verantwoordelijk gehouden voor het verval van het land. Veel minder eenstemming was er over de staat die de plaats van de oude orde moest innemen nadat de regenten en de stadhouderlijke familie verjaagd waren en de revolutionaire meiboom gepland was.

Het hart van het nieuwe bestel was de op 1 maart 1796 voor het eerst bijeengekomen ‘Nationale vergadering’. Volgens Oddens ‘het eerste parlement van Nederland’, omdat deze vergadering – in tegenstelling tot de Staten-Generaal van de republiek – door verkiezingen tot stand was gekomen, in het openbaar vergaderde en handelde zonder last en ruggespraak.

Alleen al de oprichting van deze Nationale vergadering, ‘representerende het volk van Nederland’, betekende een belangrijke breuk ten opzichte van de oude particularistisch Republiek, waar de provinciën min of meer eigen landen vormden en hoofdzakelijk het buitenlands beleid en het leger met elkaar deelden.

Oddens beschrijft in zijn boek Pioniers in Schaduwbeeld trefzeker hoe dit eerste parlement geen vanzelfsprekendheid was, maar dat de instelling vanaf 1796 zich langzaam in de praktijk ontwikkelde. De parlementariërs waren volgens hem pioniers die het vak van parlementariër tijdens hun werk moesten uitvinden. De regels van de politiek lagen niet meer vast zoals tijdens de oude Republiek, maar moesten opnieuw geformuleerd worden.

Balzaal

Symbolisch voor de breuk met de oude Staten-Generaal van vóór 1795 was ook de verhuizing naar de oude Balzaal van stadhouder Willem V op het Binnenhof, een ruimte met een slechte akoestiek en weinig ruimte voor het publiek die tot 1992 met enkele korte tussenpozen dienst zou doen als de behuizing van het Nederlandse parlement. De verwachtingen van deze parlementariërs waren hooggespannen. Zij dienden hard te werken, deugdzaam te zijn en geen openlijke politieke ambities te koesteren. Het ambt van parlementariër werd door de Bataven gezien als een zware last die slechts met tegenzin uitgevoerd werd om het vaderland te dienen. Burgers konden zich niet zelf kandidaat stellen, maar werden – soms tot hun eigen onaangename verrassing – door middel van getrapte verkiezingen gekozen. Dat sommige burgers ervoor bedankten om de Nederlandse natie te vertegenwoordigen werd door tijdgenoten als schokkend ervaren.

Openlijke politieke verkiezingscampagnes voor personen vonden door dit taboe op (openlijke) politieke ambitie nog niet plaats. Wel ontstond er volgens Oddens een vroege vorm van partijvorming in de Nationale vergadering. De Republikeinse partij en de moderate partij, waarbij zich overigens slechts een minderheid van de parlementariërs aansloot, kwamen bijeen in verenigingen en probeerden de stemmingen in de Nationale Vergadering te beïnvloeden.

In de belangrijkste taak, het vervaardigen en aannemen van een Bataafse grondwet, slaagden de leden van de eerste nationale vergadering echter niet. Het ontwerp voor een Bataafse grondwet werd in augustus 1797 na een gewiekste politieke mediacampagne van de tegenstanders, die hun revolutionaire principes onvoldoende terugzagen in de voorgestelde tekst, in een referendum met een overweldigende meerderheid afgewezen.

Veel strijd werd geleverd door de Bataven over de vraag in welke mate de provincies in de nieuwe nationale staat hun soevereiniteit konden behouden en op welke wijze de vertegenwoordigende democratie vorm moest krijgen. De Bataafse revolutionairen kopieerden daarbij niet blind het Franse model, zoals oudere historici wel meenden, maar lieten zich door hun eigen ideeën leiden. Wel vormde de Franse revolutionaire republiek zowel een belangrijke inspiratiebron als een schrikbeeld (met name de Terreur van 1792-1794) voor de Bataafse constitutiemakers.

De debatten rondom de grondwet zijn door Rutjes op aantrekkelijke en toegankelijke wijze beschreven in zijn boek Door gelijkheid gegrepen. Fascinerend aan het Bataafse politieke debat is dat veel strijdpunten ook in de vroege 21ste eeuw nog heel bekend voorkomen, zoals de stemplicht, politieke transparantie, referenda en de rol van belangengroeperingen (lobbyisten). Andere punten als het al dan niet hanteren van een bezitseis voor het stemrecht en het in- of uitsluiten van het staatsburgerschap van vrouwen, Joden, plattelandsbewoners en dienstboden doen wat archaïscher aan.

Hoe loopt het af met de Bataafse democratie? De unitaristische grondwet waarin de eenheidsstaat formeel gevestigd is, werd in mei 1798 na een volksraadpleging aangenomen, maar niet nadat met steun van de Franse gezant een staatsgreep werd gepleegd door radicale revolutionairen op 22 januari 1798. Dit radicale bewind, dat zuiveringen van politieke en ambtelijke functies liet uitvoeren van politiek onbetrouwbaar geachte personen, kwam zelf ook een half jaar later ten val als gevolg van een nieuwe staatsgreep.

De eenheidsstaat van 1798 overleefde echter de verschillende opeenvolgende regimes (tot de Inlijving bij het Napoleontische Empire van 1810) om uiteindelijk opnieuw bevestigd te worden door Willem I, de zoon van de laatste stadhouder, in de grondwet van 1814. Het nationale parlement keerde in een nieuwe vorm terug onder de historiserende benaming van ‘Staten-Generaal’.

Taboe

De Bataafse idealen van politieke participatie en volkssoevereiniteit zouden na 1800 steeds meer naar de achtergrond verdwijnen en in de 19de eeuw grotendeels een politiek taboe vormen. Pas in de 20ste eeuw zou de parlementaire democratie de bekritiseerde maar toch onomstreden status krijgen die het nu heeft. De ontwikkeling van het democratische bestel hier kent geen rechte lijn, aldus de auteurs.

Beide boeken zijn uitstekend geschreven en gebaseerd op diepgravend nieuw bronnenonderzoek. Wel zou men kunnen opmerken dat beide historici erg dicht bij hun bronnen zijn gebleven en bredere vragen soms geschuwd hebben. Op de vraag welke plaats de Bataafse republiek nu inneemt in de overgang van het klassieke republikeinse politieke denken van de 17de en 18de eeuw naar het moderne liberalisme van de 19de eeuw, een belangrijk thema in het internationale wetenschappelijk onderzoek, wordt onvoldoende ingegaan. Ook worden oorsprong en karakter van het Verlichte gelijkheidsdenken nauwelijks uiteengezet. Het plaatsen van het Bataafse experiment in de bredere Nederlandse politieke (ideeën-)geschiedenis laten de auteurs vooral aan andere wetenschappers over.

Beide boeken vormen wél het uitgangspunt bij het zoeken naar een meer evenwichtige benadering van het Nederlandse politieke verleden. Bovenal is de door Rutjes en Oddens beschreven deels herkenbare en deels vreemde wereld van de Bataafse democratie een fascinerend onderwerp voor iedereen die zich interesseert in de werking van het moderne Nederlandse parlementaire en politieke bedrijf.

Matthijs Lok, historicus Universiteit van Amsterdam