Moderne filosofie als kop van Jut

Wat is waarheid? Die eeuwenoude vraag is onderwerp van een levendig en subtiel debat in de filosofie. Een nieuwe bundel levert daar een bijdrage aan, maar blijkt vooral een polemische afrekening met postmoderne relativisten.

Wat is waarheid? Filosofen breken zich al eeuwen het hoofd over die vraag, hoe simpel het antwoord ook lijkt: waar is wat het geval is.

Maar wat betekent dat? Is waarheid een eigenschap van dingen of van onze gedachten? Van woorden, zinnen of van ‘proposities’ – die verwijzen naar de inhoud van een bewering, in de logica uitgedrukt met ‘p’ of ‘q’? En wat maakt zinnen of proposities dan ‘waar’? Hun overeenkomst met de werkelijkheid, hun onderlinge samenhang, hun nut?

Of is waarheid eerder een logisch instrument om te kunnen redeneren (‘als A, dan B’) en helemaal geen echte eigenschap van dingen of zinnen? Dan zegt de uitspraak ‘‘‘gras is groen” is waar’ op de keper beschouwd niets méér dan gewoon ‘gras is groen’? En dan is waarheid, als apart begrip, overbodig, behalve om iets algemeens te beweren (‘Alles wat de meester zegt, is waar’).

En hoe zit het met morele uitspraken als ‘moord is slecht’? Maken die aanspraak op waarheid, of drukken ze iets heel anders uit, zoals menselijke emoties, of voorschriften?

Over al die vragen wordt al lang een subtiel en soms scholastisch filosofisch debat, waar je in een krant zelden over leest. Geen wonder, want het is voer voor specialisten; zie boektitels als Theories of Truth of Truth as one and many.

Daarom is het op zichzelf goed dat het probleem nu ook eens wordt aangekaart in een iets populairdere bundel, samengesteld door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging en filosoof Rob Wiche. De vraag ‘wat waarheid is’ komt daarin aan de orde in bijdragen over onder meer de Griekse filosofie, de esthetica, journalistiek en geschiedschrijving.

De artikelen zijn lezenswaardig, meestal helder geschreven, en dus voor een geïnteresseerd publiek goed te volgen. Maar dan: alles bij elkaar heeft de bundel een ander, veel polemischer en vooringenomen karakter dan je op basis van de titel zou verwachten.

Allereerst loopt het filosofische gehalte van de bijdragen nogal uiteen. Het meest bevredigende is de bijdrage van Rudi te Velde, die een subtiele en precieze analyse geeft van het waarheidsbegrip van Thomas van Aquino, in confrontatie met Aristoteles, Plato en Augustinus. Ook de stukken over Griekse filosofie en de klassieke ‘correspondentietheorie’ van de waarheid zijn van vakfilosofen. Andere bijdragen, over journalistiek en de Romantiek, hebben eerder een cultuurkritisch karakter.

Ze nopen tot reflectie – en tot tegenspraak. Zoals de prikkelende bijdrage van Jan van der Stoep over de journalistiek. Hij poneert een ‘standaardopvatting’ van journalistiek, waarin objectieve waarheid centraal staat, tegenover ‘nieuwe journalistiek’, die draait om commercie en emotie. De laatste zou nu hoogtij vieren. Maar historisch gesproken kun je ook het omgekeerde verdedigen. ‘Objectieve’ journalistiek is een betrekkelijk recente uitvinding (van de commercie), uit het Amerika van de late 19de eeuw. Voordien waren persoonlijke, impressionistische verslagen juist heel gewoon. Stanley, de ontdekkingsreiziger die zich een weg schoot door ‘donker Afrika’, was óók een journalist, voor The New York Herald.

Pragmatisme

Dat zijn kanttekeningen bij stukken die elk apart de moeite waard zijn. Maar er is één groot probleem met de bundel als geheel: de actuele filosofische discussie over waarheid die ik in het begin aanhaalde, en die mijlenver afstaat van de misverstanden over waarheid die de samenstellers hekelen, komt er niet of nauwelijks in aan bod. Na Plato, Thomas, Spinoza en Kant, houdt het ongeveer op. Modernere filosofie figureert vooral als kop van Jut, in de vorm van postmodern relativisme (‘waarheid bestaat niet’) en pragmatisme (‘waar is, wat werkt’), waarvan de samenstellers kennelijk menen dat die de toon zetten.

Dat past bij de conservatieve inzet van met name Kinneging, die in zijn bekroonde Geografie van goed en kwaad (2005) al duidelijk maakte dat de moderne tijd in zijn ogen vooral verval en duisternis te bieden heeft. In een van zijn eigen artikelen in de bundel beweert hij al even stellig dat het in de loop der eeuwen opgebouwde morele besef door de Romantiek ‘uit het bewustzijn van een groot deel van de westerse bevolking [is] gevaagd’.

Nu is het, allereerst, twijfelachtig of postmodernisme en pragmatisme zo dominant zijn als de samenstellers lijken te menen. Andere auteurs in de bundel komen tot genuanceerde conclusies: in zijn stuk over esthetica stelt Lennaart Allan, die ook actuele kunsttheorieën behandelt, vast dat ‘de ervaring van ‘waarheid’ van kunst afhangt van het mensbeeld, de wereldvisie en het levensgevoel van de beschouwer’. Dat klinkt als een gematigde vorm van conceptueel relativisme: criteria om waarheid in de kunsten vast te stellen hangen af van een normerend kader.

En zelfs Kinneging ziet als goed conservatief toch ook ‘grote waarde’ in de aandacht van de Romantiek voor het concrete individu, als correctie op een te sterke nadruk op de abstracties van de Verlichting. Het romantische ideaal van ‘de authentieke mens, die niet klakkeloos anderen volgt, maar zelf zijn weg uitstippelt’ lijkt hij zelf in elk geval nadrukkelijk te volgen. Maar hij meent dat dit ideaal van persoonlijke uniciteit en expressie elders in de samenleving is doorgeschoten, zoals in het dragen van ‘hanekam, oorbellen en piercings’. Terwijl individuen zich dienen te schikken naar de natuurlijke orde van de soort (waartoe hij, curieus genoeg, ook het genus ‘man’ rekent).

Los van die cultuurdiagnose is het de vraag of je een actueel – en waarheidsgetrouw – filosofisch boek over waarheid kunt samenstellen zonder je te verstaan met de belangrijkste moderne filosofen op dat terrein. En dan niet alleen met de obscure Martin Heidegger – met zijn idee van waarheid als ‘onverborgenheid’ – maar nog veel meer met de twee invloedrijkste 20ste- eeuwse analytische filosofen en logici op dit gebied, Gottlob Frege en Alfred Tarski, van wie hier nagenoeg elk spoor ontbreekt.

Frege ontwikkelde een waarheidsvoorwaardelijke betekenistheorie: weten wat een uitspraak betekent, wil zeggen: weten onder welke voorwaarden hij waar is. Waarheid is volgens Frege een fundamenteel begrip voor ons denken en spreken, maar één dat zich niet verder laat definiëren. Elke poging daartoe verzandt volgens hem in cirkelredeneringen.

Van Tarski stamt de ‘semantische waarheidstheorie’, die waarheid koppelt aan een taaltheorie. Hij maakt onderscheid tussen een objecttaal en de metataal die een logisch adequate beschrijving van de eerste geeft. Zo kun je ontsnappen aan de beruchte paradox van de leugenaar (‘deze zin is onwaar’).

Pragmatisten

Beide analytici zijn onmisbaar voor de huidige discussie rond het begrip waarheid in de filosofie. Maar slechts in één hoofdstuk wordt naar hun invloed verwezen. Logicus Rob Wiche verdedigt daarin een ‘ruime’ interpretatie van de correspondentietheorie van de waarheid tegen het pragmatisme (‘waar is, wat werkt’) van William James (1842-1910).

Die correspondentietheorie van de waarheid is klassiek en nog steeds de populairste onder filosofen. Dat ware uitspraken zeggen ‘hoe het ervoor staat’, of ‘wat de feiten zijn’ zijn ‘platitudes over waarheid’, zoals de Britse filosoof Crispin Wright ze noemt.

Maar wie daar een filosofische theorie van wil maken, moet ‘correspondentie’ en ‘feiten’, nader invullen – en dat valt niet mee, zonder in Frege’s cirkelredeneringen te vervallen. Wat houdt ‘correspondentie’ in? Als het betekent dat ware uitspraken en feiten identiek zijn, wat voegen de laatste dan toe? Het zijn dan tautologische aanhangsels bij proposities. Maar als ze verschillen, waarin bestaat dan hun overeenkomst, en hoe stel je die vast?

Wiches ‘ruime’ interpretatie van de correspondentietheorie komt erop neer dat ware uitspraken ‘corresponderen met of volgen uit de feiten’. Maar die toevoeging lost het probleem nog niet op, en Wiche maakt zich er veel te snel vanaf. Zoals hij ook heel snel klaar is met morele uitspraken. Want wat maakt die waar (áls ze waar zijn): feiten, menselijke disposities en voorkeuren, een combinatie van beide? Naar die meta-ethische discussie zoek je tevergeefs.

Die blinde hoek is temeer curieus, omdat het waarheidsdebat in de filosofie tegenwoordig nu juist wordt beheerst door analytische filosofen, niet door de verfoeilijke relativisten waar de bundel zich pedagogisch tegen afzet. Filosofen als Wright, die pluralisme over waarheid verdedigt (het idee dat waarheid in diverse taaldomeinen anders wordt vastgesteld).

In zijn bijdrage over religie raakt Kinneging daaraan. Je hoeft monotheïsme niet orthodox op te vatten, want ‘God kan zich ook openbaren in andere boeken, [...] in kunstwerken, en in gebeurtenissen en in mensen en in de natuur en, last but not least, in de wetenschap.’

Goed, maar hoe dan? En hoe weten we dat? Die vragen worden dan alleen maar urgenter.

Tenzij je het antwoord al meent te kennen.