Hef dan die club voor de wereldhandel liever op

De organisatie die belast is met de wereldhandel dreigt zichzelf overbodig te maken, schrijven Steven Brakman en Arjen v. Witteloostuijn.

In een opmerkelijk open procedure is de nieuwe directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie gekozen. De longlist met negen kandidaten, die zich in het openbaar aan het grote publiek moesten voorstellen, werd teruggebracht tot een shortlist met Herminio Blanco (Mexico), en Roberto Carvalho de Azevedo (Brazilië).

Inmiddels is De Azevedo gekozen en hij kan zijn lastige werk op 1 september beginnen. Hij hoeft zich niet te vervelen gezien de vele protectionistische gevaren die in deze crisisjaren de kop op steken. Denk alleen al aan het dreigende conflict tussen de EU en China dat zonnepanelen op de Europese markt verkoopt die door Chinese subsidies (te) goedkoop worden verkocht. De EU dreigt nu met importheffingen op zonnepanelen.

Bij alle crisisdiscussies van dit moment wordt opmerkelijk weinig aandacht gegeven aan de Wereldhandelsorganisatie zelf. Dit is ten onrechte. De ontwikkeling van de wereldhandel is voor open economieën als die van Nederland immers van doorslaggevende invloed. Over twee problemen kan de nieuwe directeur zich de komenden tijd direct buigen: het nieuwe protectionisme en de organisatie zelf.

De huidige Doha-handelsronde – die tot doel heeft importtarieven te beperken – sleept zich al meer dan een decennium voort en is grotendeels mislukt. Snel stopzetten van dit hopeloze project lijkt hier het devies. In het kielzog van deze mislukking zijn veel landen overgegaan tot het sluiten van regionale handelsovereenkomsten, waarbij een beperkt aantal landen betrokken is.

Het aantal regionale overeenkomsten is de afgelopen jaren explosief toegenomen, zoals onlangs in een Gronings proefschrift werd aangetoond. Latijns-Amerika, de thuisbasis van de president van de Wereldhandelsorganisatie, laat zich hierbij niet onbetuigd. Ook de Europese Unie doet mee: onderhandelingen over een bilaterale overeenkomst met de VS zijn begonnen.

Het probleem van dit soort regionale overeenkomsten is dat het niet alleen positieve effecten heeft, doordat de handel onderling toeneemt, maar ook negatieve omdat het ‘derde’ landen uitsluit. Bij alle fanfare over het mogelijk aanstaande handelsverdrag tussen de VS en de EU is dit uitsluitende karakter een van de grootste bezwaren: wat betekent dit verdrag bijvoorbeeld voor de toegang tot de markten van de EU of VS voor China of Japan?

De statistieken over protectionistische tendensen in de wereld zijn daarom deels misleidend: ze laten dalende invoertarieven zien, maar vertellen niet dat die veelal slechts regionaal van toepassing zijn en dus tegelijkertijd niet gelden voor de niet-clubleden. Dat het netto-effect van deze gelijktijdige insluiting én uitsluiting positief is, zoals de ondertekenaars lijken te denken, is alles behalve zeker.

Deze regionale fragmentatie komt deels voort uit frustratie met de mislukte Doha-ronde, maar gaat ook met een relatief nieuw kenmerk van de wereldhandel zelf. Het is niet langer het geval dat, zeg, wijn wordt geruild tegen textiel, zoals in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw. Bij deze handel is de rol van de Wereldhandelsorganisatie duidelijk: vrije toegang tot de markt van de een wordt uitgeruild tegen vrije toegang tot die van de ander, waarbij iedereen gelijkmatig mee profiteert.

Maar deze oude wereld is snel aan het verdwijnen: het type handel waarbij eindproducten A en B worden verhandeld tegen andere eindproducten C en D wordt relatief minder belangrijk. Steeds meer wordt het productieproces opgeknipt in kleine deelprocessen die deelproducten produceren, waarbij die deelprocessen kunnen worden verplaatst naar het buitenland. Softwareontwikkeling kan naar India worden verplaatst en chipfabricage naar Zuid-Korea, waarbij gebruik wordt gemaakt van de machines van het Nederlandse ASML.

In dit ‘aanbodketennetwerk’ is een hoofdrol weggelegd voor China, Duitsland, Japan en de VS. In dit web van onderlinge afhankelijkheid is het huidige model van de Wereldhandelsorganisatie niet langer relevant. Regionale overeenkomsten volgen als het ware de aanbodketen, waarbij vooral wordt gekeken naar sterk gespecialiseerde onderlinge leveranties. Hierbij is maatwerk eerder regel dan uitzondering. Voor de deelnemers aan zo’n netwerk is het belangrijker dat tegenover goedkope, niet door importtarieven belaste, sterk gespecialiseerde intermediaire handel vrije investeringstoegang wordt geregeld tot de landen waar de productie plaatsvindt.

Hierbij is het vooral van groot belang dat het intellectuele eigendom wordt beschermd en dat investeringsbelemmeringen worden weggenomen. Het is dus, zoals internationale econoom Richard Baldwin opmerkt, niet langer ‘mijn markt voor jouw markt’, maar ‘jouw handel voor mijn fabriek’. In de praktijk kunnen regionale handelsovereenkomsten dergelijke arrangementen makkelijker realiseren dan de Wereldhandelsorganisatie, die gericht is op het sluiten van mondiale overeenkomsten.

Het gevaar bestaat dus dat de Wereldhandelsorganisatie wordt gepasseerd en weggezet als behorend tot ‘de wereld van gisteren.’ Dit is ongewenst. Nog steeds dreigt protectionisme en nog steeds hebben regionale overeenkomsten het negatieve bijeffect van uitsluiting van derde landen. De nieuwe directeur kan hiermee meteen aan de slag. Als eerste moet hij de huidige Doha-ronde beëindigen, om vervolgens een nieuwe ronde te starten die op een nieuwe leest wordt geschoeid.

Als de Wereldhandelsorganisatie zich niet aanpast aan de veranderende omstandigheden in de wereldeconomie en de nieuwe onderhandelingen deels inricht vanuit het moderne aanbodketenperspectief, dan dreigt deze organisatie overbodig te worden en naar de onderhandelingsperiferie te verdwijnen. In dat geval kan de nieuwe directeur aan de slag met het tweede probleem: de Wereldhandelsorganisatie zelf. De oplossing van dat probleem is dan eenvoudig: de organisatie kan worden ontmanteld. De nieuwe directeur is dan meteen de laatste.

Steven Brakman is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en de universiteit van Antwerpen, Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de universiteit van Tilburg en de universiteit van Antwerpen.