'Er wordt hier niet gezongen voor niks'

Elke vrijdag een pagina over ontwikkelingen en achtergronden op de nationale en internationale kunstmarkt.

Geen detail in het Staetshuys detoneert, of het zou een pocket met crypto’s in de bibliotheek moeten zijn. Maar verder is het pand (1685) aan de Gouden Bocht in stijl gerestaureerd – van de meanderende plafondschilderingen tot de strak gekapte buxushaagjes.

Opvallend is het naambordje onder de bel. Dit deel van de Herengracht is zo kostbaar dat er vrijwel alleen nog banken en kantoren in zijn gevestigd. Maar het Staetshuys, ooit thuisbasis van zijdekoopman Hendrick Staets, wordt sinds twintig jaar gewoon bewoond.

Jan Meulendijks en Bart Schuil werden rijk aan ‘de spelende mens’, zo meldt hun site. Ze verzonnen, kochten en produceerden talloze succesvolle spelletjes (o.a. Tien voor Taal, Babbelonië en Herexamen) voor tv en kranten. Met een deel van de verdiensten kochten ze het Staetshuys – een sleets kantoor – en brachten het terug in oude luister. „We hebben familie in antiek, dat hielp”, lacht Meulendijks.

In de salon staat nu een concertvleugel. Gisteren nog zongen hier vier jonge operazangers, vertelt Meulendijks. Zijn passie voor opera begon vroeg. „Toen ik twaalf was, ongeveer. Een operaprogramma op de Belgische radio gaf zoveel kleur aan al die eindeloze, grijze zondagmiddagen.” Inmiddels kun je zijn operaliefde „gerust een gekte noemen.” En zijn man, Bart Schuil, deelt in die gekte. Schuil: „Gelukkig maar. Anders houd je het samen ook geen 44 jaar vol, denk ik. Nee: weet ik.”

Met een vriend, zanger, schrijver en oud-Volkskrant-criticus Jan Willem Hofstra, reisden Meulendijks en Schuil jarenlang door heel Europa om voorstellingen te bezoeken en onderwezen te worden in subgenres, stemtypes en andere kennis van het operavak. „Hoe meer je weet, hoe meer je inziet dat zanger het moeilijkste vak is dat er bestaat”, zegt Meulendijks.

Bart Schuil: „Een viool kun je stemmen, een kapot instrument kun je desnoods vervangen. Maar je stem is en blijft je stem.”

Na hun ‘pensioen’ (het duo ontwikkelt nog steeds spelletjes, nu als apps) wilden Meulendijks en Schuil iets terugdoen. Meulendijks: „De recente bezuinigingen op de kunsten hadden misschien rustiger moeten worden doorgevoerd, maar het goede eraan is dat mensen weer gaan nadenken over wat kunst kost, hoe je dat betaalt en wat je zelf kunt betekenen.”

Voor hemzelf en Schuil was het logisch dat ze „iets met zangers” wilden doen.

Hun Staetshuys Fonds helpt onbemiddelde operazangers in de opstartfase van hun carrière. Vocalisten tot 31 jaar kunnen een aanvraag indienen van 500 tot 15.000 euro voor bij voorbeeld het volgen van masterclasses of deelname aan een concours. Casting directors van De Nederlandse Opera en de ZaterdagMatinee bepalen welke aanvragen worden gehonoreerd.

In 2012 investeerde het Staetshuys Fonds op die manier 35.000 euro in jong vocaal talent. De gelden groeien weer aan doordat diezelfde zangers in het Staetshuys concerten geven. Ook de zaalhuur van bedrijven en banken die bijeenkomsten organiseren in het pand komt ten goede aan het Staetshuys Fonds. Schuil: „Daar zingen dan overigens ook weer vaak jonge zangers, als entr’acte. Die betalen we dan uit eigen zak. Er wordt hier nooit gezongen voor niks.”

Een week in Wenen vormde voor Schuil en Meulendijks de laatste jaren het hoogtepunt van hun agenda: dagenlang luisterden zij hoe op het Belvedère Concours zangers zich met elkaar maten in aanwezigheid van tientallen intendanten en casting directors.

„Het Belvedère is het Wall Street van de opera”, zegt Meulendijks. „Als zanger kun je er je marktwaarde toetsen – en laten stijgen.”

Maar na 32 jaar en bij afnemende overheidssteun was het concours op zoek naar nieuw elan. In Meulendijks en Schuil vond het „twee idioten die belangeloos de helft van het werk wilden doen”.

Volgende week worden de laatste deelnemers geselecteerd, op 1 juli begint het: het eerste Belvedère Concours in Amsterdam voor 160 kandidaten uit 50 landen. De bedoeling is dat het concours vanaf nu elk oneven jaar in Amsterdam plaatsvindt. In de even jaren wordt uitgeweken naar andere steden.

„We hadden het geluk dat we mensen gemakkelijk konden aansteken met ons enthousiasme”, zegt Meulendijks. De Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels zegde na een pitch van tien minuten 50.000 euro toe uit een potje voor de viering van 400 jaar grachtengordel. Het Muziektheater, de Kleine Komedie en De Nederlandse Opera werken mee door zalen voor een redelijke prijs beschikbaar te stellen en door deskundigheid te bieden. Aan de ruim twee ton resterende kosten dragen zowel het Staetshuys Fonds als Schuil en Meulendijks op persoonlijk titel fors bij. Voor het resterend deel vonden ze een aantal sponsoren.

Meulendijks: „Maar ook al staan wij garant voor eventuele budgetoverschrijding, het geld is niet onze voornaamste zorg. Het is vooral het geregel waar ik soms wakker van lig.”

Schuil: „Welnee, het is gewoon lekker spannend. Het enthousiasme van die zingende kinderen – dat is een genot. Dat drijft ons.”

Meulendijks: „Ja, zangers zijn onze passie. Het hadden ook voetballers kunnen zijn. Maar dat zijn het, gelukkig voor ons huis, niet.”