Waarom alleen bij lesbische ouders?

Lesbiennes worden gediscrimineerd als hetero’s wel de vader onbekend laten, vinden Tanja Ineke en Philip Tijsma.

Als een heteroseksueel echtpaar in ons land met behulp van een zaaddonor een kindje krijgt, bijvoorbeeld omdat de man onvruchtbaar is, dan stapt de echtgenoot op de fiets naar het gemeentehuis en doet geboorteaangifte. Het juridisch ouderschap is dan direct goed geregeld.

Als een lesbisch echtpaar met behulp van een zaaddonor een kindje krijgt, moet het een adoptieprocedure bij de rechter voeren. Dat kost ongeveer drie maanden en tweeduizend euro. Het is emotioneel belastend: veel lesbische paren ervaren de procedure als een ‘gerechtelijke goedkeuring’ van hun moederschap. Bovendien kan de huidige wet ertoe leiden dat het kindje achterblijft zonder juridische ouder als de geboortemoeder overlijdt voordat de adoptie is voltooid.

Dat noemen we ‘discriminatie’: ongelijke behandeling van lesbische ouderparen en hun kinderen.

Het COC pleit al sinds 2001 voor gelijke rechten voor lesbische ouders. Voormalig Justitieminister Donner (CDA) hield dat tegen en wilde steeds weer onderzoek naar de juridische voor- en nadelen. Twee lijvige rapporten concludeerden dat er geen juridische of andere bezwaren zijn tegen gelijke rechten voor lesbische ouderparen.

Staatssecretaris Teeven (Justitie) schreef dus in 2011 een wetsvoorstel voor gelijkberechtiging. De Tweede Kamer nam dat vorig jaar in grote meerderheid aan. Bovendien beloofden alle politieke partijen, behalve CDA, SGP en ChristenUnie, in het ‘Roze Stembusakkoord’ om de kwestie vóór september 2013 te regelen.

Het is nu juni 2013 en het wetsvoorstel ligt al weer acht maanden bij de Eerste Kamer. Ondanks alle eerdere onderzoeken wil een aantal senatoren nóg meer onderzoek naar de juridische merites van lesbisch ouderschap. En weer is het de vraag of het wetsvoorstel de eindstreep haalt.

De vraag die de senatoren het zwaarst op de maag lijkt te liggen, is een definitiekwestie: kunnen we het ouderschap van lesbische vrouwen wel onderbrengen bij de wetsartikelen die gaan over ‘afstamming’? Horen biologische afstamming en juridische afstamming niet altijd samen te vallen? Twee vrouwen kunnen toch niet samen een kindje krijgen? Moeten we voor lesbische paren en hun kinderen niet een ‘aparte regeling’ maken?

Er zijn parallellen met de discussie rond de openstelling van het huwelijk. Ook toen waren de vragen: Is het wel ‘natuurlijk’ dat mensen van hetzelfde geslacht met elkaar kunnen trouwen? Kunnen we voor homoparen niet een ‘aparte regeling’ maken, in plaats van het huwelijk open te stellen?

Het antwoord is wat ons betreft glashelder: net zoals we zelf bepalen wie er in ons land met elkaar kunnen trouwen, bepalen we zelf hoe we ons afstammingsrecht inrichten. De vraag of een kind kan afstammen van een niet-biologische ouder, heeft de wetgever al beantwoord: als een heteroseksueel echtpaar met hulp van een zaaddonor een kindje krijgt, worden de beide echtgenoten ouder van dat kind, ook als de man niet de biologische vader is. Het enige wat we vragen is dat dat ook gaat gelden voor lesbische echtparen.

De wet is er om de mens te dienen, niet andersom.

Tanja Ineke is voorzitter van COC Nederland. Philip Tijsma is voorzitter COC’s Landelijke Werkgroep Politiek.