Van cottagetuinnaar Museumplein

Henry Moore schiep zijn beelden voor de tuinen van zijn landgoed in Hertfordshire. Nu voegen ze zich naar de stad in de tuin van het Rijks.

Henry Moore’s ‘Large Reclining Figure’ in de tuin van het Rijksmuseum.
Henry Moore’s ‘Large Reclining Figure’ in de tuin van het Rijksmuseum. Foto Roger Cremers

Een orchidee. Een paars tapijt. Het is moeilijk zoeken naar excessen in het woonhuisje van beeldhouwer Henry Moore (1898-1986) in het Engelse plaatsje Perry Green, nu een museum. Het moet er behelpen zijn geweest in de kamertjes met lage plafonds: eten in het halletje omdat de eettafel in de zitkamer vol stond met zijn snuisterijen – stenen, beeldjes, schelpen, etnografica. Henry Moore was geen drankzuchtige bohémien. Dit plattelandshuisje is de behuizing van een bescheiden echtpaar, met een paars kleed als meest excentrieke kenmerk. Moore dronk thee, op gezette tijden, zoals het een Engelsman betaamt. Jarenlang. Enkel Wimbledon haalde hem uit zijn vaste dagritme.

Maar in één opzicht benutte Engelands beroemdste beeldhouwer zijn geld wel degelijk voor een enorme weelde: het scheppen van een tuin waarin zijn beelden optimaal tot hun recht zouden komen. De cottage waar hij en zijn vrouw Irina hun toevlucht namen toen in 1940 de oorlog uitbrak, had een tijdelijk adres moeten zijn. Na een roemrijk kunstenaarsbestaan in het bruisende Londen van de jaren dertig, toevluchtsoord voor kunstenaars die door Hitler en Stalin op drift waren geraakt, brandde in 1940 zijn Londense atelier af door een granaatscherf. Hij en Irina besloten voor even onderdak te zoeken op het stille platteland van Hertfordshire.

Maar ze bleven. Voor altijd. En Moore besloot op zeker moment om wat extra hectares te kopen. En nog eens. En nog eens. Totdat hij uiteindelijk een landgoed bezat waar hij zijn sculpturen kon laten neervlijen zoals het die beelden het beste uitkwam. Een intieme mens annex zuilvorm staat er in een soort groen hofje, terwijl hij voor een enorme poortvorm een brede laan liet aanleggen. De beste ereplaats schonk hij zijn bronzen Large Reclining Figure (1984), negen meter breed, op een eigen heuvel achter een onmetelijk grasveld. De afstand geeft het beeld rust, een gevoel van eeuwigheid, alsof ze er al sinds prechristelijke tijden ligt. Eenzaam, majestueus versmelt deze dame met de natuur waarvan de bomen in de herfst haar bronstinten echoën.

Dat wordt een cultuurshock in Amsterdam waar een ander afgietsel van dit Large Reclining Figure (1984) vanaf deze week in de stadstuin van het Rijksmuseum ligt. Moore is de eerste in een reeks jaarlijkse, gratis toegankelijke zomertentoonstellingen die het museum houdt in de tuin. Buiten staan twaalf van zijn beelden, in het atrium nog twee.

Behalve het Rijksmuseum zelf is ook de omliggende tuin gerenoveerd, op basis van de oorspronkelijke ontwerpideeën van 1901. Kunst tonen was hierin altijd een uitgangspunt. De tuin toont verschillende stijlen – landschapsstijl, Frans classicisme – met daarin zeldzame bomen, stadspoorten, tuinbeelden, de nodige architectonische relicten en dan hebben we het nog niet eens over de twee kilometer buxushagen of de speeltoestellen van Aldo van Eyck.

Directeur Wim Pijbes had nog een lijntje met de Henry Moore Foundation, door de Moore-expositie die hij in zijn vorige functie als directeur van de Kunsthal in Rotterdam had georganiseerd. Het Rijksmuseum toont zijn liggende vrouwen en wat abstracte vormen zonder voor- of achterkant, zoals het holle Locking Piece (1963-65), dat in de verte doet denken aan de gewrichten of stenen die Moore in zijn atelier verzamelde. Precies definieerbaar werden zijn beelden nooit: hij wilde ze een zeker mysterie meegeven, dingen mochten nooit zijn wat ze lijken te zijn. Hij liet daarom vormen versmelten, geometrisch en organisch, mens en natuur. Het gevoel van tijdloosheid dat hij zo schiep was ook een reactie tegen de oorlog die zijn leven zo beïnvloed heeft. De beelden herinneren aan andere tijden, met hun leunende houdingen gebaseerd op de Mayacultuur.

Maar Large Reclining Figure ligt er in Amsterdam minder tijdloos bij dan die in Perry Green. In de drukke stad en uitgevoerd in wit polyester oogt ze killer, gehaaider, op haar hoede in plaats van ontspannen. Een omgeving is heel bepalend, dat heeft Moore goed gezien: tussen de fietsers en getoeter en platte gazons lijkt de oermoeder hier meer een femme fatale.

Toch demonstreert ook zij Moores stijl van organische holtes die hij schiep met langzaam strelen, hier wat holler, daar wat vlakker, een evenwicht zoekend tussen massa en leegte. Dat modelleren deed hem denken aan de rugmassages die hij vroeger zijn moeder gaf, vertelde hij eens.

De Britten sloten Moore in hun hart toen ze zijn oorlogstekeningen zagen van mensen in schuilkelders, prachtige combinaties van somberte en hoop. In 1951 weigerde hij een ridderschap: dat zou te veel de indruk wekken dat hij gevestigd was. Altijd bleef hij keihard werken – later met assistenten – waardoor hij de Henry Moore Foundation maar liefst 14.000 kunstwerken naliet.

Maar één serie bleef nagenoeg onuitgevoerd: zijn stedelijke decors. Bang dat zijn beelden in steden te zien zouden zijn tegen posters en chaos ontwierp hij als achtergrond glooiende muurreliëfs. Maar die waren te duur en te ingewikkeld. Dat bleek in Rotterdam bij de uitvoering van Wall Relief No. 1.

Daar moet Moore thuis dagelijks aan zijn herinnerd: in zijn cottage, dat poppenhuisje, hangt een van de twintig ontwerpen voor die reliëfdecors, in papier-maché. Net om een hoekje van de smalle trap tegenover de kapstok, waar nog altijd een tweedcolbert hangt. Maar gelukkig, door het raampje ernaast zag hij toch altijd maar weer het prachtigste decor dat hij zich kon wensen: de lucht, het groen, de bomen. Zelfs die rotschapen die hij aanvankelijk zo had verfoeid, schonk hij er een eigen beeld van lobbige oervormen waaronder de kuddes konden schuilen in die glooiende weides die hem zijn leven lang zouden blijven inspireren.

Henry Moore, 22 juni t/m 29/9 in de tuin van het Rijksmuseum, Amsterdam. Inl: www.rijksmuseum.nl