Aan de kant allemaal, een sportevenement!

Brazilianen protesteren massaal tegen de kosten van het WK voetbal Ze vragen zich af wat het evenement hen oplevert Waarom willen landen zo graag sporttoernooien organiseren?

Verslaggevers

Rijk of arm, jong of oud, fit of niet: een Braziliaan speelt futebol. De sport zit in de genen van het land, net als de samba. Brazilië bracht sterren voort als Pelé, Garrincha, Zico, Romário, Ronaldinho en Ronaldo. De ‘Goddelijke Kanaries’ spelen het mooist en hebben de meeste wereldtitels: vijf. Het volk verlangt de zesde volgende zomer, bij het WK voetbal in eigen land.

Hoe kan het dat juist de Brazilianen zich tegen het grootste sportevenement ter wereld lijken te keren? Deze week uitten 240.000 demonstranten in elf steden hun boosheid over de hoge uitgaven, terwijl miljoenen in armoede leven. De kosten voor het WK zijn tien miljard euro, een half miljard meer dan het ministerie van Sport in februari aankondigde. Ter vergelijking: in het overheidsprogramma voor armoedebestrijding ‘bolsa familia’ (familiebeurs), dat gezinnen een uitkering geeft als zij hun kinderen laten inenten en hen naar school sturen, gaat jaarlijks zeven miljard euro om. En in 2016 volgen trouwens ook nog de Olympische Spelen in Rio de Janeiro.

De protesten zijn vergelijkbaar met de situatie in Mexico, dat in 1968 de Olympische Spelen organiseerde en twee jaar later het WK. Ook daar leidde maatschappelijke onvrede eerst tot studentenonrust en stakingen, en – tien dagen voor de opening van de Spelen – tot een massale demonstratie in de wijk Tlatelolco van Mexico-Stad. Er zaten al sporters in het olympische dorp toen de de oproerpolitie keihard ingreep, met honderden doden als gevolg.

Mexico, toen een dictatuur, had zich met de twee grootste sportevenementen opnieuw willen neerzetten voor het oog van de wereld. Zoals overheden dat vaker beogen bij Olympische Spelen, stelt sporthistoricus Jurryt van de Vooren. Hij noemt Berlijn (1936) dat na de Eerste Wereldoorlog „weer mocht meedoen”. Rome (1960) en Tokio (1964), die als verliezers van de Tweede Wereldoorlog „niet meer werden buitengesloten”. Nu volgt het Internationaal Olympisch Comité (IOC) met zijn toewijzingen de prestige-drang en het geld buiten Europa en de VS: Beijing (2008), Rusland (Winterspelen 2014) en dus Rio de Janeiro (2016).

Ook in aanloop naar ‘Beijing’ kozen demonstranten en mensenrechtenorganisaties de Zomerspelen als podium. Amnesty International is dan ook niet per se vóór of tegen een boycot van de Spelen. „Het is dubbel”, zegt woordvoerder Emile Affolter. „Het evenement kan openheid en transparantie brengen. Vóór Beijing was de aandacht voor mensenrechten enorm. Maar China heeft nog altijd de meeste dissidenten in werkkampen, de meeste doodstraffen. De nalatenschap is nul.”

Legacy is het toverwoord voor het IOC. Wat willen de olympische familie en de overheid een gaststad nalaten? Toeristische groei, een sportende bevolking, opgeknapte wijken, verbeterde infrastructuur en hergebruik van stadions, zijn de beloften. Maar dat blijkt niet uit onderzoek na de Spelen. Van de Vooren: „In veel gaststeden, zoals Sydney [2000], zijn de sportaccommodaties leeg en vervallen. Ook Londen had een leuke zomer, maar wel voor miljarden euro’s.”

Grootschalige sportevenementen komen op nationaal niveau niet uit de kosten, schreef econoom Elmer Sterken van de Rijksuniversiteit Groningen eerder in NRC. Zo is het geschatte verlies van ‘Athene’ (2004) 11 miljard euro.

Waarom steken landen, zeker in economische crisis, zoveel geld in enkele weken sport? „Het binnenhalen van dit soort evenementen wordt enorm overschat”, zegt Bob Heere, een Nederlandse sportonderzoeker aan de University of South Carolina en schrijver van het boek Het olympisch speeltje. „Maar politici willen het doordrijven, want het is hun speeltje.”

En landen willen dit soort megasportevenementen vanwege de prestige. Het land moet op de kaart worden gezet, heet het dan. Maar dat is een drogreden, zegt Heere. „Brazilië staat al lang op de kaart.”

De verliezers van grootschalige sportevenementen zijn vaak de arbeidersklassen in het organiserende land, zegt Heere. Zij hebben doorgaans niet het geld om naar de wedstrijden te gaan. Maar tegelijkertijd betalen zij er wel voor. „Het is hun belastinggeld.”

„Het is elfstedenkoorts op mondiaal niveau”, zegt Van de Vooren. „Landen kijken niet rationeel naar wat het nu inhoudt: privileges voor de FIFA, de wereldvoetbalbond, aangepaste belastingwetgeving en rechtspraak, hoe de geldstromen lopen. Het is als bij een sprinkhanenplaag. Ze eten het land kaal en vertrekken weer.”

Ook daarom zijn de laatste toegewezen WK’s straks in Rusland en Qatar. Jerôme Valcke, secretaris-generaal van de FIFA, vertelde in april op een congres: „Minder democratie in het gastland is soms beter voor de organisatie van het WK. (...) Als je een heel sterk staatshoofd hebt met veel bevoegdheden, zoals Poetin in Rusland, is dat voor ons makkelijker werken.”

In Brazilië is er kritiek op de manier waarop de FIFA zich mengt in de nationale aangelegenheden. De waslijsten aan eisen voor de bouw van stadions, infrastructuur en organisatie, stuit veel Brazilianen tegen de borst.

De onvrede in Brazilië is niet tegen de organisator van het WK gericht. De scheve verhouding tussen overmatig veel publieke uitgaven aan blinkende stadions en weinig aan collectieve goederen als onderwijs en gezondheidszorg is wat mensen dwars zit. „We houden van voetbal, maar we hebben scholen nodig”, riepen demonstranten. „Een stadion is mooi, maar liever hebben we een goed ziekenhuis.”

Van de Vooren vreest dat de komende jaren een keerpunt kunnen zijn voor Brazilië én de Olympische Spelen. „Ik hoop niet dat de wereld zal zien hoe een complete natie zichzelf met twee sportevenementen economisch uit de rails drukt.”

Met medewerking van Floor Boon (Rio de Janeiro)