Hoe kun je een beetje geslaagd mislukken?

Volgens talloze boeken is het goed om af en toe te falen. Het is een middel tot succes. Maar hoe moet een perfectionist falen, vraagt Rutger Lemm zich af.

Ik werd gevraagd om een literaire avond te presenteren. Een van de gasten was een transseksuele schrijver die eerst als vrouw door het leven ging. Ik versprak me ’s middags al: „Zo, jij gaat met twee interessante dames in gesprek?”, zei ik tegen de interviewer. Hij keek me ernstig aan. „U bedoelt: een dame en een heer.” „Oeps ja, jezus, gênant, sorry, shit, ja”, zei ik en trok het gezicht dat de neanderthalers voor dit soort momenten hebben uitgevonden: het samentrekken van de mondspieren terwijl je je wenkbrauwen hoog optrekt. Dit geeft je schaamte een cartoonesk en dus vergeefbaar karakter.

Vlak voor de aankondiging besloot ik deze anekdote te vertellen, waarmee ik de spanning veilig zou laten wegvloeien door middel van een lach. „De volgende gast heeft een bijzondere transitie ondergaan, zoals u ongetwijfeld weet. Welnu, ik maakte vanmiddag al de fout door tegen haar, pardon, zijn interviewer te zeggen – kijk daar ga ik al, precies waar ik bang voor was, haha…” De zaal staarde me aan, in doodse stilte. Ik maakte mijn verhaal af en zei: „Goed, maar genoeg daarover. Het gaat om het werk, niet om het geslacht van de schrijver.” Iedereen haalde opgelucht adem. „Welnu, zij gaat daarover in gesprek met…” Het publiek sidderde. Toen ik afging en iemand in mijn oor fluisterde: „Je zei het nog vier keer fout zonder dat je het doorhad”, wilde ik sterven.

Faaltroost

Falen is goed, hoor ik overal. Internet barst van de inspirerende faaluitspraken van mensen als Woody Allen, Michael Jordan en Samuel Beckett. Elk zelfhulp- of managementboek benadrukt het belang van falen. Faaltroost is ook hip: iedere persoon die ik bewonder, vertelt in interviews openhartig over de diepe dalen in zijn of haar leven. Ze zeggen allemaal: om succesvol te zijn, moet je vooruitkomen, om vooruit te komen moet je leren en om te leren moet er iets mislukken.

Ik snap deze logica. Telkens als ik een mooi faalcitaat lees, denk ik: ja, falen, belangrijk, gaan we doen. Ik hang een geprinte tekst (‘If you’re not failing every once in a while, you’re not doing anything innovative’ – Woody Allen) bij mijn bureau. De faaltheorie is echter eenvoudiger dan de faalpraktijk. In mijn leven mislukt genoeg. Maar hoe omarm ik iets wat zoveel pijn doet? Faal ik wel op de goede manier? Hoe kan ik, kortom, het mislukken laten lukken?

Mijn therapeut vroeg: „Wat voor verwachting had je bij deze… presentatie?” Ik gluurde over zijn schouder naar zijn boekenkast, wat ik altijd doe als hij een onverwachtse vraag stelt. Mijn blik viel op Stress and the human psyche – why feeling anxious hurts our brain. „Ik moet toegeven dat ik hoopte dat ik de ster van de avond zou zijn. Maar het gekke is dat ik me niet zo goed had voorbereid.” Mijn therapeut dacht even na en zei: „Je hebt te hoge verwachtingen van jezelf. Om in die utopie te kunnen bestaan, moet je een onrealistisch positief zelfbeeld creëren, jezelf een soort superman maken – iemand die geen voorbereiding nodig heeft. Je faalt dan onvermijdelijk. Je valt keihard en je krijgt weer een te negatief zelfbeeld. Je moet de dingen gaan zien zoals ze zijn. Een avond presenteren is moeilijk, bereid je dus goed voor. Als er iets misgaat, moet je het accepteren.”

Verward verliet ik zijn kantoor. Ik ben dus een faalangstige perfectionist. Deze combinatie levert een gekmakende patstelling op: omdat ik doodsbang ben om te falen, probeer ik mijn prestaties zorgvuldig te beheersen in een geruststellende fantasie, waardoor ik faal. Dat maakt me vervolgens onzeker en verdrietig, tot ik weer een fantasie heb opgebouwd, die ik weer niet kan waarmaken, enzovoorts. Zo leer ik er nooit iets van. Dit patroon zit in mijn hele leven, realiseerde ik me. Ik heb nog nooit een relatie gehad en werd vaak door vrouwen afgewezen, omdat ik steeds mijn verliefde illusies achterna rende. Ik was er altijd trots op dat ik een romanticus was. Intussen trok het leven aan me voorbij.

Talloze boeken en citaten vertellen ons dat misstappen goed zijn, maar ze zien dit nog altijd als een middel tot succes. De goeroes en beroemdheden willen dat je doorzet: door te falen kun je een soepele succesmachine worden.

Het is geen toeval dat dit narratief is ontstaan in de Verenigde Staten, de bakermat van het kapitalisme. Dat economische systeem is gericht op de beloning van efficiëntie en succes; Amerikanen delen de mensheid graag op in ‘winners’ en ‘losers’. Deze uitersten hebben elkaar nodig: een succesverhaal zonder obstakels is saai, en de welvaart moet ergens mee contrasteren. Het succes moet bovendien voor iedereen bereikbaar zijn. Tijdens de laatste presidentsverkiezingen probeerde zowel de miljardair Mitt Romney als de miljonair Barack Obama het volk te bewijzen hoe arm ze ooit waren. Maar in al deze verhalen is het falen een onderdeel van de perfecte prestatie en daardoor geen echt falen.

De troost van bekentenissen

Op dezelfde manier heb ik mijn twijfels over de troost van faalbekentenissen. In de VS is er na het succes van Toby Youngs How To Lose Friends and Alienate People (2001) ware faalliteratuur ontstaan: schrijvers die schrijven over hun mislukte schrijverschap. En stand-up comedians laten hun publiek lachen door eerlijk te zijn over hun knulligheden. Maar zelfspot kan een truc worden. Faalverhalen zijn opluchtend en daardoor, paradoxaal genoeg, zeer succesvol. Door onderdeel van een anekdote te worden, wordt het falen op afstand geplaatst. Zo maak ik mijn falen onschadelijk. Mijn ware onzekerheden hoef ik niet aan te gaan.

Hoe moet de perfectionist falen? Het meest realistische faaladvies komt van This American Life-host Ira Glass (ja, toch een Amerikaan). Hij sprak over „de kloof” tussen je smaak en je eerste werk. Dankzij je goede smaak weet je dat je werk niet goed is, en dat is deprimerend. Het leidt tot de zelftwijfel die bekendstaat als imposters syndrome: de angst om ontmaskerd te worden als een niet-originele, domme bedrieger. Veel mensen komen hier nooit voorbij en geven het op. Maar Glass zegt: „Het is normaal dat je door deze fase gaat. Iedereen gaat erdoorheen.” Je moet op je smaak en ambitie vertrouwen zonder je er blind op te staren. De enige manier om de kloof te verkleinen, is hard werken. Deadlines stellen, zonder naar een groot einddoel te kijken. Proberen, oefenen, aankloten, ook al zit niemand erop te wachten. Iets slechts durven maken.

Bereid je goed voor, accepteer tegenslagen, werk hard. Is dat het dan? Het klinkt allemaal zo saai. Dat is dus precies het probleem: in mijn hoofd vinden veel te spectaculaire plotwendingen plaats. Romans die in een nacht met ganzenveer op papyrus worden geklad, verre reizen die diep inzicht in jezelf geven. Zelfs mijn idee van goed falen was een groots en meeslepend verhaal. Maar romantiek biedt een laf soort veiligheid. Het echte falen is een intieme, saaie en trage bedoening. Het gaat om kleine pogingen, lelijke zinnetjes, voorzichtige succesjes. In een stille kamer aan een normaal bureau. Elke dag weer.