Probleemkinderen van de recessie

Ze zijn jong, hoogopgeleid en klaar voor hun eerste baan, maar niemand zit op hen te wachten. Geen werk = geen ervaring = geen werk.

Bob van der Vlist, Media: NRC Media, NRC Handelsblad, NRC Next, Doel: Carriere Naam: Lisette van Bemmel Plaats: Arnhem
Bob van der Vlist, Media: NRC Media, NRC Handelsblad, NRC Next, Doel: Carriere Naam: Lisette van Bemmel Plaats: Arnhem

Met een hoge opleiding kom je er wel. Dat dacht Lisette van Bemmel (26) altijd. Een universitaire studie moet genoeg zijn voor een goede startersfunctie. Ze behaalde twee diploma’s: vrijetijdsmanagement (hbo) en een master communicatiewetenschap. Vorig jaar april was ze klaar, na acht jaar.

Maar die baan heeft ze nog niet. Van Bemmel werkt onder haar opleidingsniveau, bij de receptie van dierentuin Burgers’ Zoo in Arnhem, waar ze de kaartverkoop doet. Het was haar bijbaan tijdens haar studie.

Het gat op haar cv wordt steeds groter. „Nu sta ik toch een beetje stil. Er moet wel iets gebeuren. Er moet één bedrijf zijn dat mij werkervaring gunt.” Van Bemmel stuurt gemiddeld twee sollicitatiebrieven per week naar bedrijven in de communicatiebranche. „Iedere keer ben ik enthousiast en zie ik mezelf er al werken.” Maar net zo vaak volgt een afwijzing. Ze is drie keer op sollicitatiegesprek geweest. Drie keer hoorde ze: te weinig ervaring.

Ze is niet de enige. Twee studievriendinnen hebben hetzelfde probleem: de één werkt bij een slager, de ander in de horeca. Ze zijn onlangs samen een bedrijfje begonnen, Buzzee. De drie willen evenementen organiseren en daaromheen de marketing en communicatie verzorgen. Van Bemmel blijft ondertussen wel gewoon werken in Burgers’ Zoo, ze heeft het inkomen hard nodig. Ze verdient zo’n 800 euro per maand, net genoeg om van rond te komen.

Van Bemmel en haar vriendinnen behoren tot een grote groep. De starters op de arbeidsmarkt hebben het zwaar. Het zijn de probleemkinderen van deze recessie. Ze zijn jong, hoogopgeleid en klaar voor hun eerste baan, maar het bedrijfsleven zit niet op hen te wachten. Noem het een vacuümperiode. Een grote groep jongeren komt momenteel niet aan het werk, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek: de jeugdwerkloosheid is in een jaar tijd opgelopen van 12 naar 16 procent afgelopen april. Dat komt neer op 141.000 werklozen.

De positie van starters op de arbeidsmarkt mag dan verontrustend zijn, zo erg als begin jaren tachtig is het nog niet. De wereldwijde economische crisis leidde destijds tot een ongekende werkloosheid. Jongeren kampten toen met een hogere en langdurigere werkloosheid dan nu. In 1983 bedroeg de jeugdwerkloosheid in Nederland 17,9 procent, het jaar erop 17,4 procent. Toen werd gesproken over een verloren generatie. Eenzelfde scenario dreigt voor de huidige generatie starters. Het is een vicieuze cirkel waar ze in zitten: geen werk = geen ervaring = geen werk.

„Erg zorgelijk”, noemt bijna iedere deskundige de situatie van werkloze starters. Zo ook Fabian Dekker, arbeidssocioloog bij het Verwey-Jonker Instituut. „Er zijn mensen die zeggen: ‘Jongeren vinden vanzelf wel weer een baan’. Nou, dat valt te bezien.” Hij vreest dat de jonge werklozen er lang over gaan doen voor ze een nieuwe baan vinden. Dekker werkt momenteel aan een boek over jeugdwerkloosheid, met veertig interviews met werkloze jongeren.

Het gaat Dekker te ver om deze generatie starters als ‘verloren’ te beschouwen. „Maar er is binnen de huidige groep schoolverlaters sprake van een serieus probleem.” Met name jongeren met een relatief lage opleiding krijgen het lastig, zegt hij. „Hogeropgeleiden zullen lageropgeleiden steeds meer gaan verdringen, omdat er te weinig banen op hun niveau zijn.” Dat sluit aan bij de uitkomst van een onderzoek van Studentalent en Explore: veel jongeren zijn bereid genoegen te nemen met werk op een lager niveau dan waar zij op hadden ingezet.

Een geruststellende gedachte is dat de jongeren uit de jaren tachtig geen permanente schade opliepen, blijkt uit onderzoek van Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Tilburg. De starters zonder baan waren twintig jaar na de jaren tachtig niet vaker werkloos dan de jongeren uit de jaren zeventig. Werkloze jongeren hoeven zich op lange termijn dus niet heel veel zorgen te maken. „Er is sprake van een littekeneffect, maar dat ebt weg”, zegt ook Maarten Wolbers, universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Jeugdwerkloosheid stijgt in tijden van recessies altijd snel. Starters voelen als eersten de klappen, omdat ze bovengemiddeld vaak flexibele banen hebben, zoals jaarcontracten en uitzendwerk. „Dit type werk verdwijnt als eerste. Daarnaast worden ze niet snel aangenomen omdat ze werkervaring missen”, zegt Dekker.

‘Geen ervaring’, dat is ook wat Ottoline Dietz de Loos (25) keer op keer te horen krijgt. Zes jaar studeerde ze, ze deed een master klinische neuropsychologie en een onderzoeksmaster cognitieve neuropsychologie. Augustus 2012 studeerde ze af.

Om rond te komen, moet ze verschillende bijbaantjes doen. Ze werkt nu onder andere bij een studentenklusbedrijf. En ze heeft net gesolliciteerd bij een thuiszorginstelling en een callcenter. Eerder werkte ze bij de post. Ze verdient tussen de 600 en 800 euro per maand.

Solliciteerde Dietz de Loos voorheen nog zo’n vier keer per week naar een promotieplaats in de neuropsychologie, nu nog maar twee keer. „Ik richt me op dit moment meer op de broodbanen. De financiële nood is hoog. Ik moet geld binnenkrijgen.”

De markt voor psychologen zit op slot, vertelt ze. „Het aanbod psychologen is veel groter dan de vraag. En ik heb mijzelf nog niet bewezen, daarom kiezen ze voor ouderen met ervaring.” Wel heeft ze een onbetaalde werkervaringsplek voor twee dagen per week bij een instelling voor mensen met niet aangeboren hersenletsel. Ze doet de intakegesprekken, ze neemt testen af en geeft advies. Uitzicht op een baan is onzeker.

Werkloze starters moeten oppassen dat ze niet ‘ingehaald’ worden door de volgende lichting. Kunnen ze het zichzelf verwijten dat ze werkloos zijn? Met name hogeropgeleide studenten zijn onvoldoende bezig met hun carrière na de studie, zegt arbeidssocioloog Dekker. „Begrijpelijk, want het behalen van een diploma staat voorop. Maar nevenactiviteiten naast je studie zijn steeds belangrijker als je verschil wilt maken. Daarin moet je ook zelf verantwoordelijkheid durven nemen.”

„Solliciteren was mijn fulltimejob”, zegt Tim van Rijk (26). Nadat hij in september 2011 afstudeerde aan de hbo-opleiding vastgoed en makelaardij verstuurde hij elke dag minimaal één sollicitatiebrief. Van Rijk heeft de pech dat hij in een branche zit die hard geraakt wordt door de crisis.

Hij moest soms concurreren met honderden kandidaten. Net als Van Bemmel en Dietz de Loos kreeg hij als afwijzing vaak te horen: ‘geen ervaring’. „Dat was een heftige periode. Het is heel hard, al die afwijzingen. Dit is anders dan zoals ik mijn carrière had uitgestippeld.” Hij had een bijbaan als telefoonverkoper.

Sinds maart werkt Van Rijk als junior recruiter bij uitzendbureau StudentenWerk in Rotterdam. De baan bevalt goed, maar het is onder zijn opleidingsniveau, en niet eentje waar hij voor gestudeerd heeft. „Wat is belangrijker? Dat ik een tijdje niet in het vastgoed werk of dat ik een gat in mijn cv heb van vele jaren? Dat is de keuze waar ik voor stond.”

Door de crisis is Van Rijk een heel ander pad ingeslagen dan hem aanvankelijk voor ogen stond. Toch blijft hij positief over zijn toekomst. „Ik wil de kansen die ik nu zie in de recruitmentbranche volop benutten. Maar het vastgoed zal ik nooit uit het oog en hart verliezen.”