Obama, ook de president van Duitse indianen

Duizenden Oost-Duitsers koesterden in de beknelling van de oude DDR de Amerikaanse droom van onbegrensde vrijheid. Zij ontsnapten naar een droomwereld als indiaan in het Wilde Westen. Opperhoofd Harmut Felber over zijn droom en over Obama, die nu Berlijn bezoekt.

June 15, 2013 - Neuendorf, Brandenburg, Germany: The chief from the Mohawk in Neuendorf, Hartmut Felber, stands in a forest near his home for a portrait (Hermann Bredehorst)
June 15, 2013 - Neuendorf, Brandenburg, Germany: The chief from the Mohawk in Neuendorf, Hartmut Felber, stands in a forest near his home for a portrait (Hermann Bredehorst) Hermann Bredehorst

‘Dat mensen je voor mafkees verslijten, voor Spinner, ben ik al gewend sinds ik eind jaren zeventig ontdekte dat ik indiaan wilde worden. Ik was toen dienstplichtig militair in het Oost-Duitse leger. Bij de afdeling verbindingen: ik ben pacifist dus ik raak geen vuurwapens aan. In dienst hadden we weinig omhanden. De meeste jongens gingen maar wat knutselen. Sommigen maakte piramides, anderen bootjes, ik indianenkleren van hertenleer.

„Ik was gegrepen door de jeugdboeken van Liselotte Welskopf-Henrich. Zij had bijvoorbeeld een complete romancyclus geschreven: Die Söhne der grossen Bärin. Die boeken waren toen razend populair. Toen ik uit militaire dienst kwam wist ik wat ik wilde: leven als een indiaan.

„Als je je indianenpak voor het eerst aantrekt, merk je dat het gezegde ‘kleren maken de man’, werkelijk klopt. Je verandert in een ander mens in zo’n leren pak met zachte mocassins aan je voeten.

„Ik zocht na de diensttijd contact met mensen in Radebeul, waar ‘Old Manitou’ zat, de eerste zogenaamde indianistenclub. En er waren verschillende groepen in de buurt van Dresden. Maar ik woonde hier, bij Berlijn. Er waren destijds weinig auto’s en reizen met de trein duurde te lang en kostte te veel geld. Ik besloot een advertentie te plaatsen: ‘Zoek mensen die belangstelling hebben voor indianen’. Daar kwamen twaalf mensen op af. Dat was in september 1980. We wilden allemaal hetzelfde: natuurgetrouw het leven van Noord-Amerikaanse indianen bestuderen en naleven. Vooral jonge meisjes, trouwens, want jongens vinden indiaan spelen na hun twaalfde meestal kinderachtig. Zo heb ik wel mijn vrouw ontmoet.

„Bij een groep in een naburig dorp gingen we op bezoek tijdens een indianenfestival en zij vertelden ons dat er eigenlijk al genoeg prairie-indianen waren in de DDR, dus Cheyennes, Dakota’s, Apaches en zo. Maar Mohawk waren er nog maar weinig. Dus werden we Mohawk. Zij hebben ons ook een hoop spullen gegeven zodat we konden beginnen: parels, leer en andere dingen. We zijn toen voor het eerst naar de Indian Week gegaan, waar jaarlijks alle DDR-indianen bij elkaar kwamen. Toen raakte ik natuurlijk totaal enthousiast: zoveel indianen bij elkaar! Er stonden meer dan vijftig tipi’s en we deden wat de indianen doen: dansen, kletsen, spelen, wedstrijden houden. Daar kon je je vrij voelen.

„Meestal liggen de plekken waar we samenkomen – want dat doen we nog steeds – wat afgelegen, want we willen geen toeristenattractie zijn: we doen iets voor onszelf. Veel andere indianen zijn tegenwoordig nog schuwer dan vroeger: alles is nu veel meer openbaar door het internet. En veel mensen willen hun hobby geheimhouden voor hun collega’s op het werk.

„Nu ja, goed, we dachten toen in elk geval dat we vrij waren. Achteraf hoorde ik pas dat we in de gaten werden gehouden en door wie. Ik had het wel gedacht maar ik wist het niet. Eigenlijk interesseerde het me toen niet: we deden niks slechts. Ik was uit, uit het alledaagse leven, in de vrije natuur, in een ander leven.

„En dan op maandag weer naar het werk, dat was erg. Heel erg zwaar. Het leven buiten heeft me teruggebracht naar de natuur. Het besef gebracht dat er grotere machten zijn. Kijk nu naar het hoogwater. Daar valt niet makkelijk iets tegen te beginnen. Of dat je je realiseert dat de stoel waarop je zit eens een levend wezen was. Dat is het mooie. Begrijp me goed: ik heb niets met esoterische zweeftoestanden. Dat is voor andere mensen die een cursusje gaan doen in de VS en hier dan komen zeggen dat ze sjamaan zijn en een zweettentritueel willen doen. Dat vind ik allemaal commerciële onzin.

„Ik kijk wel uit naar het bezoek van president Obama, die ook een beetje mijn president is. In het begin heeft hij veel goeds gedaan door bijvoorbeeld ervoor te zorgen dat indianen werden aangesteld in indiaanse welzijnsorganisaties. Maar ik neem het hem wel kwalijk dat ook hij Leonard Peltier geen gratie verleent. Dat is een indiaanse activist die volgens ons ten onrechte in 1977 tot levenslang is veroordeeld.

„Ik werd me destijds door het leven in de natuur steeds meer bewust van het milieu en van de vervuiling. Vanuit het Westen kregen we, via de kerk, daar ook berichten over. Een van onze leden was een Lutherse dominee en die speelde die boodschappen door. Met name over demilieuvervuiling. Daar maakte ik me grote zorgen over en zo ben ik ook in botsing gekomen met het systeem. We kregen de brief door waarin het Irokezenstamhoofd John Sotsisowah de hele wereld waarschuwde tegen de milieuvervuiling. Ik vond dat iedereen dat moest weten en vroeg toestemming om die brief te vermenigvuldigen. Toestemming vragen was toen verplicht. En ik was zo naïef dat ik dacht iets goeds te doen. Het kwam me te staan op een reprimande van twee Stasi-officieren. Later werd het erger: toen had ik een poster opgehangen tegen de luchtverontreiniging. Toen ben ik op een zwarte lijst gezet, hoorde ik achteraf. Ik diende op termijn te worden geïnterneerd.

„Daar is het natuurlijk niet van gekomen. Maar ik vond het al erg genoeg te horen dat mijn beste vriend een verklikker was. Hij vertelde het me toen in 2008 het boek Sozialistische Cowboys verscheen: dat ging ook over ons. Ik zou bij de presentatie in Berlijn optreden en vlak ervoor kwam hij in de kleedkamer en vertelde hij mij dat hij informatie had gegeven aan de Stasi. Mijn adem stokte. Het duizelde me. De mensen hebben toen even moeten wachten. Ik heb het ze toen verteld, wat ik net had gehoord en mijn verdriet eruit gedanst.”