Constante zoektocht naar dopingmiddelen

Bij Nederlandse wielerploegen was tot 2008 sprake van „dopingmanagement”, zo stelde de commissie-Sorgdrager. In de sport wordt nog altijd gezocht naar nieuwe dopingproducten.

„Het dopinggebruik in het Nederlandse wielrennen was structureel verankerd in de wijze waarop de Nederlandse ploegen opereerden.” Het is een van de harde conclusies in het rapport van de commissie-Sorgdrager, dat gisteren verscheen.

In opdracht van de Nederlandse wielerunie KNWU en sportkoepel NOC*NSF deed de ‘Commissie Anti-Doping Aanpak’ onder leiding van oud-minister Winnie Sorgdrager onderzoek naar dopinggebruik in het Nederlandse wielrennen.

Volgens de commissie is er in het wielrennen sprake van „een dopingcultuur die van generatie op generatie is overgedragen”. Het gevolg hiervan, zo stelt de commissie, is dat „het overgrote deel” van de Nederlandse wielrenners in de periode tot 2008 gebruik heeft gemaakt van verboden middelen als epo en illegale methoden als bloedtransfusies. Dopinggebruik was in die tijd de norm in het profpeloton. Om mee te doen, voelden renners zich gedwongen te gaan gebruiken. „Veel renners uit die tijd omschreven het als een keuze tussen meedoen of stoppen”, zo stelde Winnie Sorgdrager gisteren, bij de presentatie van het rapport. .

Maar de betrokkenheid bij dopinggebruik bleef niet beperkt tot individuele renners. Bij Nederlandse wielerploegen was volgens de onderzoekscommissie sprake van „dopingmanagement”. Dit gebeurde echter niet expliciet. Anders dan in de Amerikaanse teams van wielerkampioen Lance Armstrong werd doping niet opgelegd, maar werd de keuze om te gebruiken aan de renner zelf overgelaten.

Dit gebeurde echter niet in het belang van de renner, maar vooral vanwege de koudwatervrees van de leiding: officieel gold er zero tolerance. Bij een positieve test zou de sponsor zich immers terugtrekken. Toch werden renners tegelijkertijd „gewezen op hun verantwoordelijkheid om op de juiste momenten in het seizoen ‘goed te zijn’.” Wat dat bekende, was iedereen duidelijk. „Een dubbele moraal”, constateert de commissie-Sorgdrager, want de ploegleiding probeerde wel degelijk controle uit te oefenen. „Het ploegmanagement en artsen hebben het gebruik van doping door renners begeleid, op grond van gezondheidsrisico’s, het risico op een positieve test, de effectiviteit van het middel en de kans op sportief succes door de betreffende renner.” De commissie spreekt ook over „het zorgvuldig monitoren en bijsturen van de bloedwaarden van de renners”.

De sombere boodschap van de commissie Sorgdrager was dat er in het wielrennen nog steeds sprake is van een „zoektocht naar en het testen van nieuwe middelen”. „Het is hoogstwaarschijnlijk een kwestie van tijd voordat er iets nieuws komt dat effectief is en (voorlopig) niet opspoorbaar”, zo staat er in het rapport. Volgens de commissie is het daarom „ een illusie is om te denken dat de wielersport schoon is, ook in Nederland.”