Pardon - moeten we hier vechten voor onze stilte?

Terugkeren naar Nederland en dan ontdekken dat lawaai – en niet stilte – de norm is. Dat is Hieke Jippes overkomen. Zeer tot haar ongenoegen.

BBC-radiopresentator John Humphrys, gevreesd fileerder van politieke wauwelaars in het radioprogramma Today, was ooit in de lobby van een hotel in Sheffield. Hij werd afgeleid door aanhoudende achtergrondmuziek in het vertrek. Humphrys is nergens bang voor en vroeg aan de receptie of de muziek uit kon. Antwoord: „Dat kan niet, want het wordt automatisch doorgestuurd naar de luidsprekers”. Een knop? „Die hebben wij niet”. Toen Humphrys dreigde de kabels door te knippen, was het argument: „Maar de gasten willen muziek!” Waarop de journalist persoonlijk alle gasten in de lobby ondervroeg. Ze bleken unaniem geen prijs te stellen op dit muzikale behang, dat overigens van een bedrijf in Hilversum bleek te komen.

Humphrys’ actie is in het Verenigd Koninkrijk een van de heldendaden in de geschiedenis van de strijd tegen lawaaioverlast, in Engeland vooral gepropageerd door Noise Abatement Society. De oprichter daarvan was in de jaren vijftig al de uitvinder van onder andere rubberen (in plaats van metalen) vuilnisbakdeksels.

Zijn nazaten krijgen grote bedrijven, van autofabrikant Lexus tot keukenmachineproducent Kenwood, zover dat ze hun producten zo geluidsarm mogelijk maken en reiken met overheidsinstemming keurmerken uit voor geluidloze haardrogers of grasmaaimachines. Waarom hecht het bedrijfsleven waarde aan deze trend naar geluidloos? Consumenten daar vragen er om. Het is dus commercieel verstandig om te luisteren. Terug in Nederland verlang ik naar een Humphrys. Iemand met gezag die het besef laat doordringen dat stilte de normale status is – en niet lawaai maken. Die elk lawaai beschouwt als een inbreuk op de levenssfeer van de ander.

Het volgende voorbeeld is er niet zo maar een. Ik moet bekennen dat ik net een brief met soortgelijke strekking als hierboven heb geschreven aan mijn stadsdeelvoorzitter. De deelgemeente Amsterdam-Noord, die kopers van (dure en dus voor haar lucratieve) appartementen aan de IJ-oever naar haar gebied heeft gelokt met wervende slogans als „de stille kant van het IJ'”, gaf op 5 mei zonder enig overleg met omwonenden een vergunning af voor een buitenfeest aan de voet van de Overhoekstoren.

Een hele zondag twaalf uur dreunende muziek, buiten in de open lucht, aan het gestamp waarvan bewoners zelfs met gesloten deuren en ramen niet konden ontkomen.

De klachtenlijnfunctionaris van die dag beloofde mijn en onze klachten – een vaasje vibreerde op mijn aanrecht – „te zullen doorgeleiden naar de politiek”.

Resultaat? Het stadsdeel stuurde de klagers na afloop een keurige brief waarin werd betreurd dat de omwonenden last hadden gehad, waarin werd geconstateerd dat het geluid gelukkig grotendeels „binnen de vastgestelde norm” was gebleven en waarin werd aangekondigd dat deze lokale overheid de wijkbewoners met organisatoren van dergelijke evenementen wil laten onderhandelen over vier tot zes van dergelijke openluchtfeesten per jaar.

Pardon? Moeten bewoners hier gaan vechten voor stilte (althans het ontbreken van lawaai), terwijl de lokale overheid – voor financieel gewin – anderen het recht geeft daarop lang en hevig inbreuk te maken? Dat is een omgekeerde wereld, die zeker niet als de norm moet gaan gelden.

Integendeel, het hoort zo te zijn, en het was ook altijd zo, dat een overheid zijn burgers juist beschermt in zoiets basaals als het genot van rust en stilte. In veel opzichten doet zij dat ook al: beperkt geroep van de top van de moskee, gematigd luiden van de kerkklok, stiltecoupés in de trein zijn daarvan allemaal voorbeelden.

Nieuwkomers in landelijk gebied die klagen over hun verstoorde nachtrust door de vroeg uitgerukte tractor van de boer verderop of de doordringende kraai van de haan van de buren, krenken ons in ons rechtsgevoel.

Wie zijn zij dat ze traditionele, bij het platteland behorende en voor het boerenbedrijf noodzakelijke omgevingsgeluid menen te moeten laten afschaffen? Desondanks, ze krijgen, zeker in Engeland, regelmatig gelijk van de rechter, omdat die erkent dat stilte – althans het ontbreken van overmatig lawaai – het overwegende belang hoort te zijn.

Stadsbewoners,of ze nu nieuwkomers zijn of niet, dienen in de meeste ogen normaal stadsgedruis net zo goed voor lief te nemen. Maar moeten ze niet net zo goed als inkomende plattelanders aanspraak kunnen maken op een bescherming tegen noise pollution – geluidsvervuiling?

Wat mij schokt is dat het feit dat het houden van een onontkoombaar lawaaiveroorzakend feest zo als kennelijk ‘gewoon’ (want het wordt niet eens met wijkbewoners besproken) door een overheid beoordeeld wordt. Wat mij moedeloos maakt is de muziek waar ik in drukke winkels tegenin moet schreeuwen om mij verstaanbaar te maken.

Ik hunker naar een situatie waarin het normaal blijft dat je, ook in de stad, een merel kunt horen zingen en waarin je, als je daarvoor kiest, alleen kunt zijn met je gedachten.

Ik verlang naar een overheid die dat begrijpt en daarnaar handelt. Humprys come home! To Holland!

Hieke Jippes is journalist en voormalig NRC-correspondent in Groot-Brittannië.