Opinie

Internet als kinderparadijs

De hoofdredacteur van deze krant, die een man van hoge zedelijke standaard is, zou mij zonder twijfel de wacht aanzeggen als hij van de Amerikaanse regering hoorde waar ik mij op het internet mee bezig houd. Welke Chinese opiumkitten ik bezoek tijdens het schrijven van deze stukken. Welke digitale achterafsteegjes ik bewandel. Hij zou geschokt zijn.

Hoofdredacteur Vandermeersch is mijn innerlijke ouder, de belichaming van wereldlijke autoriteit. Althans, op die momenten dat ik terugval in het infantiele stadium van de vijfjarige. Dan maak ik me zorgen wat de gevolgen voor mij persoonlijk zouden zijn als hij of, wat God verhoede, mijn ouders erachter komen wat ik vanochtend heb gelezen op het internet.

Gelukkig val ik zelden zover terug in de tijd. Toch wordt het gesprek over internetgebruik tot mijn verbijstering steevast gevoerd op dit laagste niveau van morele ontwikkeling, het preconventionele niveau, zoals ontwikkelingspsycholoog Lawrence Kohlberg dat heeft genoemd. Het ik-gerichte en gezagsgevoelige stadium waarin kleuters en jonge kinderen hun gedrag laten afhangen van beloning en straf door de autoriteiten. Sinds Edward Snowden vorige week verklapte dat we door veiligheidsdiensten digitaal worden bespied, komen werkelijk alle media met vragen die gewoonlijk vijf- en achtjarigen zichzelf stellen. Vragen over politieagenten en bazen en ouders.

Willen we veiligheid of willen we privacy, vragen de media ons bijvoorbeeld in koor. Alsof dat een keuze is: een boterham met pindakaas of een boterham met hagelslag. Alsof niet ook privacy een veiligheidskwestie is. Gerrit-Jan Zwenne, hoogleraar recht en informatiemaatschappij te Leiden, legde in de Volkskrant gelukkig uit dat je die twee begrippen helemaal niet zo tegenover elkaar kunt stellen. Leg je de macht van de overheid aan banden dan dien je daarmee immers de veiligheid. „Je kunt een rechtsstaat niet beschermen door de controle op de macht af te schaffen. Geen privacybescherming zorgt juist voor een onveiligere samenleving.”

Maar dit is een zeldzaam verstandig geluid. Verder wordt veiligheid door de deelnemers aan het gesprek opgevat zoals vijfjarigen dat zouden doen: als taak van de politieagenten die ons beschermen tegen boeven en terroristen. Verlies aan privacy wordt besproken op het niveau van achtjarigen, boos dat hun natuurlijk weer eens niets wordt gevraagd. Onze ouders zitten zomaar aan onze spullen! Wat gemeen!

Deze preconventionele benadering kwam je ook tegen in de Volkskrant, waar aan serieuze deskundigen werd gevraagd of we als burgers niet zelf onze vrijheden hebben ingeleverd ten behoeve van veiligheid. Nee hoor, zeiden de deskundigen. Zelf kunnen we er niets aan doen. „Ik heb hier nooit voor gekozen.” „Ik heb er niet voor gekozen dat de Amerikaanse overheid miljoenen mensen in de gaten houdt en dat de AIVD hier ook nog aan meedoet. Het is allemaal in het geheim ontwikkeld, niemand wist van het bestaan.” „Het is niet heel netjes geweest van onze leiders dat ze ons geen keuze hebben voorgelegd.”

Dit valt toch werkelijk niet te geloven! „Onze leiders hebben ons niets gevraagd.” Onze ouders zitten zomaar aan onze spullen! Wij hebben hier niet voor gekozen! Ja, kinderen, echt, dat hebben we als volwassen mensen juist wel. We hebben ons hele leven, ons hele burgerbestaan, verhuisd naar het internet. Werk, ontspanning, betalingsverkeer, communicatie, seks, belastingaangifte, rechtszaken: we zijn het allemaal uit vrije wil online gaan doen. En we hebben ons geen enkele volwassen vraag gesteld bij de ontwikkeling van zo’n nieuwe samenleving op een nieuwe plek.

Verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de digitale infrastructuur; zeggenschap over software; parlementaire controle op inzage in onze gegevens; eigendom van data; wetgeving om bedrijven en overheden in het gareel te houden: al die kwesties zijn nog maar steeds niet doorgedrongen tot het maatschappelijk gesprek. Op geen enkel verjaardagspartijtje duikt het onderwerp van onze immigratie naar internet op. Geen enkele politieke partij die er een punt van maakt. De grootste sociale omwenteling sinds tijden – en het enige dat ik grote denkers onderling hoor zeggen is: „Heb jij nou nog steeds geen iPad?”

Alsof we collectief niet goed snik zijn. Alsof we de hele geschiedenis, onze zorgvuldig bedachte staatsinrichting, overboord kieperen en in een nieuwe maatschappij gaan wonen waar we geen stemrecht hebben en geen verantwoordelijkheid en waar we hopen dat alles toch vanzelf wel deugt. Zoals we twintig jaar geleden toetraden tot een nieuwe economie waarin alle winst vanzelf verdriedubbelde en je nooit meer iets hoefde te betalen.

Als een kleuterklas trekken de gebruikers over het internet. Zodra op YouTube vervelende reclame verschijnt, verhuizen ze joelend naar Vimeo – dat ontslaat ze van de verplichting de boel te regelen en te besturen en te verrechtstatelijken. De plicht volwassen vragen te stellen over algemeen belang, waarden, betaalbaarheid, zeggenschap, vrijheid, rechtvaardigheid.

„Onze leiders hebben ons niets gevraagd!” Kom nou toch! Werkelijk!

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.