Vrijheid van onderwijs is sleets

Het echec van Ibn Ghaldoun toont dat onderwijsvrijheid is achterhaald. Ouders willen kunnen kiezen maar niet op grond van godsdienst. Wijzig dus de Grondwet, schrijft August Hans den Boef.

Nederland, Hardenberg, 19-12-2007 VMBO school De Nieuwe Veste. Een leerling steekt haar vinger in de lucht om de attentie van de leraar te krijgen. Foto: Flip Franssen
Nederland, Hardenberg, 19-12-2007 VMBO school De Nieuwe Veste. Een leerling steekt haar vinger in de lucht om de attentie van de leraar te krijgen. Foto: Flip Franssen

Het echec van Rotterdamse scholengemeenschap Ibn Ghaldoun, net als eerder dat van het Islamitisch College Amsterdam, heeft niet veel te maken met het feit dat het om islamitische scholen gaat. Veel meer met het merkwaardige Artikel 23 GW waardoor al het onderwijs uit de staatskas wordt betaald. Dit in combinatie met het negentiende-eeuwse misverstand dat het om een onvervreemdbare democratische verworvenheid gaat wanneer ouders vrij zijn in de onderwijskeuze voor hun kinderen, zorgt voor amateurisme of erger.

In ons land zijn burgers op hun achttiende volledig handelingsbekwaam, maar christelijke ouders menen desondanks dat zij hun volwassen kinderen naar de katholieke universiteiten in Nijmegen en Tilburg, respectievelijk protestantse in Buitenveldert en elders kunnen sturen. Want ouders hebben nu eenmaal het recht om hun kinderen op te voeden zoals ze dat zelf willen. Dat recht is gelukkig enigszins geconditioneerd door de wet, maar zou die beperking zich ook niet moeten uitstrekken tot het onderwijs? Kinderen worden tegenwoordig steeds minder beschouwd als het bezit van hun ouder (de facto vader). In ons land krijgen ze daarom ook meer rechten – bijvoorbeeld bij scheiding van hun ouders. Velen vinden dat die rechten zich ook moeten uitstrekken tot een zo min mogelijk voorgeprogrammeerde keuze voor een eigen levensbeschouwing. Wie kinderen van jongs af aan indoctrineert in een gesloten religieuze sfeer, ontneemt hun in feite de mogelijkheid om als volwassene onbekommerd te kiezen voor een eigen levensbeschouwing.

Bovendien worden kinderen die in een schoolomgeving opgroeien waarin iedereen dezelfde religieuze denominatie aanhangt, ja zelfs in de regionale variant, en daarnaast tot eenzelfde sociaal-economisch milieu behoort, onvoldoende toegerust voor de moderne kennissamenleving, waarin het leren van sociale en communicatieve vaardigheden essentieel is. Later zullen ze immers met heel diverse mensen moeten kunnen samenwerken.

Met het eind van de verzuiling werd Artikel 23 een dode letter. Op een paar scholen in de bijbelgordel na werden confessionele scholen tamelijk open en weinig indoctrinerend, waarmee ook de oorspronkelijke aanleiding – in de ‘pacificatie’ van 1917 – voor Artikel 23 was weggeëbd. Na de ontzuiling is bovendien de onderwijskwaliteit van confessionele scholen zodanig verbeterd dat zij op geen enkele manier onderdoen voor de openbare. Integendeel. De meeste ouders kozen dan ook niet meer om godsdienstige redenen voor een school. Intussen zijn ook de bestuursvormen van openbare en confessionele scholen steeds meer naar elkaar gegroeid. Wat onverlet laat, dat er de facto slechts vrijheid van religieuze onderwijsaanbieders bestaat, die slechts zeer impliciet en gedeeltelijk de onderwijskundige vraag van de ouders honoreert.

Want doordat tweederde van het onderwijs tot op de huidige dag een bijzonder karakter heeft – al decennia steeds meer haaks op de demografische ontwikkelingen – domineren de confessionele onderwijsinstellingen vanouds de onderwijswereld in een conglomeraat dat behalve uit politici ook bestaat uit Onderwijsinspectie, Onderwijsraad, AOb, onderwijskundigen, onderwijsambtenaren en –consultants. Die dominantie zullen zij in een concurrerende onderwijsmarkt niet zelf opgeven.

Een voorstel derhalve voor een nieuwe ‘pacificatie’. De minister van onderwijs – en zo zij weigert, een groep onderwijswoordvoerders van politieke partijen – verzoekt deskundigen een aanpassing van Artikel 23 te bedenken waarin staatssubsidie slechts kan worden gegeven op basis van zeer breed te interpreteren onderwijskundige beginselen die ook op basis van levensbeschouwing kunnen worden gehuldigd. Dus een legitimatie van de praktijk in de meeste (confessionele) scholen vandaag de dag.

Zo’n pacificatie eist uiteraard haar tol: het offeren van een paar radicale groepjes, meestal religieus gemotiveerde, ouders. Maar met de godsdienst als zodanig heeft deze beperking niets te maken.

Het beëindigen van deze misstand zou een paars kabinet sieren.

August Hans den Boef is publicist.