Homo's maken het huwelijk weer hip Wilt u niet scheiden? Niet trouwen met een vrouw

Het homohuwelijk is een interessant experiment dat hetero’s trouwlustig maakt en ook een gelijke taakverdeling in het heterohuwelijk bevordert, stelt Liza Mundy.

Het lijkt paradoxaal. Het homohuwelijk ontpopt zich als dé burgerrechtenstrijd van deze tijd, ook al lijkt het huwelijk zelf dagelijks meer bedreigd te worden. Amerikanen bijvoorbeeld, wachten langer met trouwen. De gemiddelde leeftijd waarop mannen voor het eerst trouwen, ligt op 28 jaar, bij vrouwen is dat 26 jaar. In 1950 was dat nog respectievelijk 23 en 20 jaar.

De meeste Amerikanen trouwen nog wel, maar veel van deze huwelijken lopen op een scheiding uit. Weliswaar ligt het Amerikaanse echtscheidingscijfer nu weliswaar lager dan eind jaren zeventig, toen het aantal scheidingen een recordhoogte bereikte, maar het is nog altijd hoger dan in de meeste Europese landen. Daarnaast stijgt het aantal samenwonende mensen snel, en zijn er meer alleenstaanden dan ooit.

Al met al heeft dit geleid tot een wankel systeem van ‘partnering en repartnering’, zoals de sociologe Suzanne Bianchi het noemt – een eindeloze emotionele en relationele maalstroom waardoor mensen soms maar helemaal van het instituut afzien.

Academici hebben betrekkelijk stabiele relaties, bij elke andere groep zit de klad in het huwelijk. Kinderen krijgen voor het huwelijk is normaal geworden. 58 Procent van de Amerikaanse vrouwen met voortgezet onderwijs is ongehuwd als ze haar eerste kind krijgt. De oude grap van Groucho Marx – „Ik wil geen lid zijn van een club die mij als lid wil hebben” – gaat in dit verband wel een beetje op. We kunnen ons afvragen waarom homo’s en lesbiennes bij een instituut willen horen dat zelf nog twijfelt of het hen wel zal toelaten, terwijl de deurwaarder de meubels al komt halen en de brandweer het clubhuis komt afsluiten.

Tegenstanders van het homohuwelijk betogen dat toelating van echtparen van hetzelfde geslacht min of meer het einde van het huwelijk zal betekenen. Dit argument werd afgelopen maart benadrukt in twee grote ‘homohuwelijk-zaken’ voor het Amerikaanse Hooggerechtshof.

Voorstanders van het homohuwelijk daarentegen, menen dat homo’s en lesbiennes die willen trouwen het welzijn van het gezin voor ogen hebben; dat de zorg om het welzijn van de kinderen een voorname reden is om te trouwen; dat homo’s als groep worden gediscrimineerd doordat hun rechten worden ontzegd die voor elke heteroseksueel vanzelf spreken.

Maar stel dat het homohuwelijk het huwelijk wel verandert - en dan vooral ten goede? Misschien maakt de publiciteitsgolf rond het homohuwelijk niet zozeer het huwelijk kwetsbaarder, maar wekt ze nieuwe belangstelling voor het instituut onder heteroseksuelen – in elk geval voor een tijdje. Misschien ook helpt het homohuwelijk, dat nieuwe model van een gelijkwaardige relatie tussen twee mensen, het huwelijk volwaardiger de 21ste eeuw in.

Echtgenoten van hetzelfde geslacht die hun arbeid niet kunnen verdelen volgens de bestaande geslachtelijke normen, moeten het huwelijk anders benaderen dan echtgenoten van verschillend geslacht. Van seks tot ruzies, van opvoeding tot huishouden; elk detail van het gezinsleven moeten zij zelf uitvissen, zonder terug te vallen op de traditionele taakverdeling. In dat opzicht kunnen homohuwelijken verhelderend werken voor álle echtparen.

Critici waarschuwen voor een instituut dat ‘geslachtsloos’ zal worden. Maar als een geslachtsloos huwelijk een huwelijk is waarin de vrouw niet automatisch verantwoordelijk is voor schoolformaliteiten, kinderopvang, maaltijden, verjaardagen, nachtelijke voedingen en inkopen voor de feestdagen, dan denk ik dat veel heteroseksuele vrouwen ‘Doe mij dat maar!’ zullen roepen.

Verder kan het homohuwelijk ook dienen als gecontroleerd experiment. Zo kunnen we nagaan welke aspecten van echtelijke moeilijkheden werkelijk geslachtsgebonden zijn en welke niet. In de sociale wetenschappen vergelijkt men steeds vaker hetero- en homoparen, in een poging vast te stellen wat ‘vrouwelijk’ en ‘mannelijk’ is. Sommige bevindingen zijn verrassend. Bijvoorbeeld: we weten dat heteroseksuele vrouwen eerder dan hun mannen het initiatief nemen om te scheiden. De sociale wetenschap heeft moeite dit verschil te verklaren; het is toegeschreven aan de seksuele revolutie, de financiële onafhankelijkheid van vrouwen en het mannelijk onvermogen de moderne vrouw tevreden te houden.

Wat blijkt? In Noorwegen en Zweden, waar al zo’n twintig jaar een geregistreerd partnerschap voor paren van hetzelfde geslacht bestaat, gaan lesbische vrouwen tweemaal zo vaak uit elkaar als homo’s. Als vrouwen ook ontevreden worden als ze met een andere vrouw getrouwd zijn, is het probleem met het huwelijk misschien niet de man. Misschien zijn vrouwen wel te kieskeurig.

Natuurlijk is binnen het moderne huwelijk niet met alle oude gewoonten gebroken. Mannen doen weliswaar meer in het huishouden dan voorheen, maar vrouwen doen nog steeds het leeuwendeel. Deze last heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de neergang van het huwelijk.

Mensen willen nog altijd trouwen. De meeste niet-getrouwde Amerikanen zeggen een huwelijk na te streven, maar ze zien het veelal als iets groots en onbereikbaars. Trouwen is niet langer iets wat je doet als je jong en onbezonnen bent. Welvaart is niet iets wat echtgenoten nog samen moeten opbouwen. Het huwelijk is veeleer een ‘prestigesymbool’ geworden, om met de socioloog Andrew Cherlin te spreken, eerder het sluitstuk dan de hoeksteen van een geslaagd leven. Door onder meer de veranderde verhouding tussen de geslachten, is het oude instituut vooral voor de minder welvarende, lager opgeleide Amerikanen ontmanteld - zonder dat er iets anders voor in de plaats is gekomen.

Ook al kunnen homo’s en lesbiennes niet alle mankementen oplossen, wel kunnen ze soms een voorbeeld zijn voor heteroparen. Vooral als het gaat om de algehele herindeling van de echtelijke plichten. Steeds meer studies over de huishoudelijke taakverdeling wijzen uit dat paren van hetzelfde geslacht het in veel opzichten beter doen.

De sociologen Pepper Schwartz en Philip Blumstein stelden vast dat homoseksuele en lesbische paren eerlijker met elkaar omgaan dan heteroparen, zowel in hun bedoelingen als in de praktijk. De lesbiennes in de studie waren bijna pijnlijk gelijkwaardig – soms deden ze geld in potten en deelden alles tot op de cent. Homoseksuele mannen verdeelden evenals lesbiennes vaker dan heteroparen het koken en de huishoudelijke taken. Velen hadden al een heteroseksueel huwelijk achter de rug en op de vraag of ze in die eerdere relaties hun vrouw met het huishouden hadden geholpen, zeiden ze meestal van niet.

Natuurlijk waren er nog wel enkele onbillijkheden: bij alle paren had degene met het hoogste inkomen meer gezag en beslissingsbevoegdheid. Dit gold het minst voor lesbiennes, meer voor hetero’s en het meest voor homo’s. Zet twee mannen bij elkaar, zo stelden Schwartz en Blumstein, en het leek wel of dit het besef versterkte dat ‘wie betaalt, bepaalt’.

De lesbiennes hadden de neiging alles eindeloos te bespreken en kwamen daarmee dichter tot elkaar dan de andere typen paren. Schwartz vroeg zich af of dit ook nog een andere bevinding kon verklaren: in de loop der tijd ging het in lesbische relaties met de seks bergafwaarts – een toestand die ze als ‘lesbische beddendood’ beschreef. Bij mannen kwam ze uiteindelijk tot de slotsom dat zij, hetero of homo, de seks benaderden alsof het een broodje was. Lekker, vies of middelmatig - ze pakten wat ze pakken konden.

Kunnen we van bovenstaande iets leren? Ja.

Spreek van tevoren af wie de vuilnisbak leegt en wie de wc schoonmaakt.

Paren van hetzelfde geslacht verdeelden de verantwoordelijkheden vaker gelijkmatig. Dat wil niet zeggen dat zij elke taak 50/50 verdeelden. Soms deed een van hen geregeld hetzelfde karweitje, maar omdat er geen standaardkoppeling naar geslacht was, ontwikkelden zulke patronen zich organisch, op grond van voorkeuren en vaardigheden.

Het is niet altijd het beste om de kinderen op basis van 50/50 op te voeden.

Alle bestudeerde gezinnen, homo of hetero, waren in grote lijnen gelukkig, functioneerden goed en hadden geen financiële zorgen. Elk type partner – homo, hetero, man, vrouw – betoonde zich voldaan over zijn of haar ouderrol. Al was de heteroseksuele vrouw minder tevreden dan de anderen en zei ze steevast dat ze meer hulp van haar man wilde.

Ook al zijn ze gelijkwaardiger als opvoeders, ouders van hetzelfde geslacht lijken in één nogal ouderwets opzicht op hun heteroseksuele tegenhangers: een verrassend hoog aantal besluit tot een taakverdeling waarbij de een kostwinner wordt en de ander thuisblijft. Zo bezien wijken homo-ouders wel van de traditionele gezinsstructuur af, maar keren ze er ook weer naar terug. Misschien is het ook echt handiger als één van de ouders werkt en de andere iets bijverdient of niets verdient.

Wilt u niet scheiden? Trouw dan niet met een vrouw.

De gegevens over echtscheiding komen nog altijd binnen en tot dusver wijzen studies (merendeels) dit uit: ondanks – of misschien juist door – hun perfectionistische benadering van gelijkwaardigheid, lijken lesbische paren vaker uit elkaar te gaan dan homoparen. Pepper Schwartz constateerde dit begin jaren tachtig. En ook de onderzoekers naar paren van hetzelfde geslacht in Noorwegen en Zweden (2006) kwamen tot deze bevinding, al uitten ze het vermoeden dat vrouwen misschien ‘in het algemeen gevoeliger voor de kwaliteit van relaties’ waren. Oftewel: misschien zijn vrouwen gewoon kieskeurig. Dan krijg je bij twee vrouwen een verdubbelde kieskeurigheid. De echte bedreiging voor het huwelijk is dan ook misschien wel de vrouw.

De afgelopen tijd trok ik langs Amerikaanse staten waar het homohuwelijk onlangs werd gelegaliseerd. Ik sprak er met wedding planners, ambtenaren van de burgerlijke stand, verloofden en verloofdes. Zij vertelden dat om hen heen de huwelijkskoorts was uitgebroken – onder homo- én heteroparen welteverstaan.

Het homohuwelijk leek nieuw elan te geven aan de gedachte om te trouwen. Of het herstelde misschien wel een oud elan in ere. Op de Gay and Lesbian Wedding Expo in het centrum van Baltimore, amper enkele weken nadat in Maryland het homohuwelijk was gelegaliseerd, stelde ‘wedding planner designer’ Drew Vanlandingham opgetogen vast dat de zaken plotseling veel beter gingen. Beide kampen, meende hij, waren in Maryland inmiddels in een goedmoedige maar felle wedloop naar het altaar verwikkeld.

‘Sociale besmetting’ vormt de kern van een steeds belangrijker onderzoek naar de invloed van ons gedrag en onze emoties op de mensen die wij kennen. De rechtsgeleerde William N. Eskridge jr. publiceerde in 2006 samen met Darren Spedale een analyse: in de tien jaar sinds de legalisering van het homohuwelijk was het aantal heteroseksuele huwelijken in Denemarken met 10,7 procent, in Noorwegen met 12,7 procent en in Zweden met 28,8 procent gestegen. Het percentage echtscheidingen in deze landen was gedaald. Ook al waren oorzaak en gevolg onmogelijk te bewijzen, zoals de auteurs erkenden, het homohuwelijk had het heteroseksuele huwelijk in ieder geval niet geschaad.

Hoe zullen homoseksuele - en lesbische paren zich ontpoppen in de ‘mama-oorlogen’, die sluimerende strijd tussen moeders die thuis blijven en moeders die buitenshuis werken? Worden ze vredestichters of strijders? Zal de groeiende aanwezigheid van homopapa’s ertoe leiden dat mannen vaker worden opgenomen in de eindeloze e-mailketens die naar de ouders van kleuters en genodigden van verjaarsfeestjes gaan? In plaats van het voorbeeld dat vaders niet ter zake doen, kunnen homo’s laten zien dat vaders wel ter zake doen.

Volgens Schwartz werden homo’s al voor de aids-crisis vaker monogaam. Enkele decennia later zijn homoparen wel monogamer dan voorheen, maar lang niet zo als andere soorten paren. In haar onderzoek in Vermont constateerde Esther Rothblum dat 15 procent van de heteromannen zei vreemd te gaan, tegen 58 procent van de homo’s met een geregistreerd partnerschap en 61 procent van de homo’s met een niet officieel vastgelegde relatie.

Op de vraag of een paar een expliciete afspraak over vreemdgaan had gemaakt, zei maar een luttele 4 procent van de heteromannen dat ze dit met hun partner hadden besproken en dat die er geen probleem mee had, tegen 40 procent van de homo’s met een geregistreerd partnerschap en 49 procent van de homo’s zonder wettelijk erkende relatie. Heterovrouwen en lesbiennes waren intussen eensgezind de monogamie toegedaan – lesbiennes meer nog dan heterovrouwen zelfs. Zo zei 14 procent van de heterovrouwen vreemd te gaan, tegen 9 procent van de lesbiennes met een geregistreerd partnerschap en 7 procent van de lesbiennes zonder wettelijk erkende relatie.

De vraag of homo’s en lesbiennes het huwelijk zullen veranderen, of omgekeerd, ligt het gevoeligst op het terrein van seks en monogamie. Maar privégedrag kan heel wel privé blijven: toen econoom Lee Badgett van de University of Massachusetts in Nederland het huwelijk bestudeerde, stelde ze vast dat veel homoparen weliswaar de gelijkwaardigheid van hun relatie uitdragen, maar meestal geen promiscuïteit bepleiten, ook al bedrijven ze die wel. Andere deskundigen betwijfelen of de meeste homo’s wel een voorkeur voor niet-monogame relaties hebben of deze op den duur zullen behouden. Welke versie zal dus de overhand krijgen: het niet-monogame huwelijk of het huwelijk zoals we het doorgaans opvatten? Het is goed erop te wijzen dat relaties tussen hetzelfde geslacht in de VS iets vaker voorkomen tussen vrouwen en dat vrouwen in het algemeen geen voorvechters van promiscuïteit zijn.

Er zijn ook aanwijzingen dat trouwen het gedrag verandert: William Eskridge en Darren Spedale stelden vast dat in de jaren nadat Noorwegen, Zweden en Denemarken het geregistreerde partnerschap hadden ingevoerd, veel homoparen te kennen gaven een grotere nadruk op monogamie te leggen. Het landelijk percentage HIV-infecties daalde intussen. Daarom is seks misschien wel een terrein waarop het instituut van het huwelijk lossere normen die eerder door veel homoparen waren omarmd, aanscherpt.

Ja, het huwelijk zal veranderen. Of liever gezegd: het zal weer veranderen. Er bestaat immers geen traditioneel huwelijk.

Op verschillende plaatsen en op verschillende momenten in de geschiedenis was het huwelijk een middel om jonge kinderen te verbinden, koningshuizen te verenigen en bondgenootschappen tussen landen te bezegelen. In de bijbel was het een verbond dat weleens tot stand kwam tussen een man en de weduwe van zijn dode broer of tussen een man en verscheidene vrouwen. Het was een instrument voor de ordelijke overdracht van eigendom van de ene generatie mannen op de volgende, de proef die bepaalde of kinderen als wettig of onwettig werden beschouwd, een voorrecht dat niet was weggelegd voor zwarte Amerikanen, iets wat ouders arrangeerden voor hun volwassen kinderen, een contract waardoor vrouwen wettelijk ophielden te bestaan. Tot ver in de 19e eeuw betekende het Britse juridische begrip van de ‘eenheid van persoon’ dat een vrouw als ze trouwde ‘haar man werd’ en afzag van haar juridische status en van het recht om eigendom te bezitten of haar eigen inkomsten te beheren.

Veel van deze beperkingen zijn al verruimd. Het kindhuwelijk wordt door de meeste mensen tegenwoordig gezien als de mensenrechtenschending die het ook is. Dankzij wethervormingen kan een vrouw inmiddels trouwen en toch een wettelijk erkend menselijk wezen blijven. Het Amerikaanse Hooggerechtshof schafte het verbod op interraciale huwelijken af. Doordat het huwelijk nu gemakkelijker kan worden ontbonden, kan een echtscheiding met wederzijds goedvinden voorkomen dat een verbintenis levenslang moet duren. De recente groei van het alleenstaande ouderschap heeft in combinatie met een vergrijzende bevolking het huwelijk en de opvoeding losgekoppeld. De geschiedenis wijst uit dat het huwelijk zich in de loop der tijd ontwikkelt. We hebben alle reden om aan te nemen dat het homohuwelijk tot die verdere ontwikkeling zal bijdragen.

Het argument dat homo’s en lesbiennes sociale pioniers en voorlopers zijn, is al eerder aangevoerd. In 1992 opperde de Britse socioloog Anthony Giddens dat homo’s en lesbiennes een voorbode waren van een nieuw soort verbintenis die voortdurend aan heronderhandeling onderhevig zou zijn en die naar verwachting alleen stand zou houden zolang beide partners er tevreden mee waren. Nu deze zogeheten voorboden zich aan hechtere relaties willen overgeven, krijgen we eindelijk ‘tegenbewijs’ en zullen we beter kunnen nagaan welke echtelijke spanningen en genoegens aan het geslacht zijn toe te schrijven en welke niet.

Uiteindelijk zou kunnen blijken dat het homohuwelijk helemaal niet zo verschilt van het heterohuwelijk. Als de huwelijken tussen homo’s en lesbiennes op den duur even ruziezoekend, vervelend en ondraaglijk, maar ook even bevredigend, vreugdevol en liefhebbend zijn als andere huwelijken, dan weten we dat een zekere mate van strijd niet de schuld is van de vermeende oorlog tussen mannen en vrouwen, maar gewoon iets onvermijdelijks wat zich voordoet als twee mensen hun uiterste best doen om samen door het leven te gaan.

Liza Mundy is verbonden aan de New America Foundation. Ze is de auteur van The Richer Sex: How the New Majority of Female Breadwinners Is Transforming Sex, Love and Family. ©2013 The Atlantic.