Het zaklantarentje

Dit is een mooi zaklantaarntje, rond, met een doorsnee van iets meer dan een centimeter, lengte ongeveer acht centimeter en voor het lampje zit een lens waardoor een strakke, felle lichtstraal wordt veroorzaakt. Misschien zou je er een piloot mee kunnen verblinden. Dat lees je weleens. Ik heb het ongeveer een jaar geleden gekocht van een doofstomme straathandelaar die de hele dag langs de caféterrassen loopt. Hij is me niet vergeten. Telkens als we elkaar zien, legt hij zijn hand op zijn hart en maakt een lichte buiging. Die beantwoord ik met een hoffelijke hoofdknik. Dit lantaarntje is me dierbaar geworden.

Maar gisteren, opeens, deed het ding het niet meer. Zo gaat het met alle hedendaagse hyperapparatuur. Zo’n ding weigert van de ene seconde op de andere, opeens. Vanaf mijn zesde jaar heb ik zaklantaarns. Ik dacht dat ik er verstand van had. Vroeger (daar heb je het weer) werd het licht eerst zwakker en na een laatste flakkering werd het donker. Dan deed je er een nieuwe batterij in, duwde het knopje naar voren en de zwakstroomzon was weer doorgebroken.

En nu opnieuw: batterij leeg! Die moest er dus uit. Maar hoe? Ik probeerde het ding open te schroeven, van voren, van achteren, in het midden en toen ontdekte ik dat er geen schroefdraad in zit. Misschien een vernuftig klemmetje. Ook niet. Ik dacht weer eens even aan het in 1999 verschenen meesterwerk van Joost Elffers, Paul Mijksenaar en Piet Westendorp, Hier Openen. Dat was toen een de volledigheid benaderend overzicht van moderne verpakkingen, kleine apparatuur, digitale hebbedingetjes die je in de vorige eeuw ook al had, hoewel veel minder dan nu. Uit die tijd herinner ik me een hygiënisch verpakt koekje dat ik ergens in een café op Coney Island bij de koffie kreeg. Het zat in een glanzend soort papier dat met een geribbelde strook was dichtgemaakt. En jawel, daar stond open here. Ik begon te trekken, te rukken, zette de aanval van de andere kant in, maar de verpakking gaf geen krimp. Ten slotte heb ik mijn tanden erin gezet. Ik bereikte het koekje, maar dat was intussen door het geweld verkruimeld.

Nu drong het langzaam tot me door dat dit prachtstuk waarschijnlijk een wegwerpzaklantaarn was. Ik heb de moed opgegeven en het ding in de vuilnisbak gegooid, met pijn in mijn hart. Langs de boulevard op het Griekse eilandje waar ik dit schrijf lopen iedere dag tientallen marskramers, een paar doofstommen, vrouwen met hoofddoekjes, Albanese kinderen en een meneer met een houten been, die op een banjo een soort rammelende muziek maakt. De kinderen verkopen niets, ze trekken een professioneel zielig gezicht en houden hun hand op. Aan het einde van hun traject staan de ouders en incasseren de opbrengst. Daar trappen we niet meer in. Mijn vrouw heeft een paar chocolaatjes in haar tas. Die krijgen ze en bijgevolg worden we nu begroet door een tsjokolata tsjokolata roepende kinderschaar.

Mij interesseert vooral het aanbod van de doofstommen. Sleutelhangers met een rubber fantasiediertje dat piep doet als je erin knijpt, andere dieren die automatisch, lichtgevend knipogen, nog een paar verre familieleden van Mickey Mouse. Walt Disney heeft destijds iets aangericht. Bijna een eeuw later is hij de oervader van een geweldige familie waarvan alle leden één trek gemeenschappelijk hebben. Ze kijken guitig. Wat is dat? Mijn digitale woordenboek zegt: ondeugend, schalks, snaaks. Vooral dat laatste woord komt er dichtbij, maar guitig heeft toch nog een andere nuance. Het dichtstbij komt Loeki de Leeuw, het dier dat vroeger de reclameblokken besloot. Hij keek puur guitig en zei: Asjemenou!

Intussen houden de nazaten van Mickey Mouse in Griekenland de doofstommen en andere armlastigen in leven. Hoe komen al die mensen aan hun handel, wat is hun winstmarge? Misschien is er een wereldomvattend net van tussenpersonen die op hun beurt niet van de wind kunnen leven. Ze kopen hun waren in India waar in geweldige fabrieken de plaatselijke proletariërs twaalf uur per dag aan de lopende band staan. Daar worden door vernuftige machines de piep zeggende sleutelhangers gemaakt, de zaklantaarns die niet opengaan, de knipogende Mickeys. Dat aanbod moet verkocht worden. De tussenhandelaren doen hun bod, die hele onzin wordt naar de rijke westelijke wereld verscheept. Daar is weer een speciale markt waar de straatventers hun waren inslaan.

Op een avond in 2012 zit ik op een terras aan mijn ouzo te nippen en daar komt mijn vriend de doofstomme. Aan een riem om zijn nek draagt hij zijn uitstalbak. Dat lantaarntje wekt mijn begeren, ik koop het en betaal wegens de Europese solidariteit het dubbele. Een jaar later ontdek ik het verborgen gebrek. Over honderd jaar wordt het door een archeoloog opgedolven. Dit stukje dient om de herkomst te verklaren.