De hond is uitgezocht op vriendelijkheid, net als wij

Brian Hare & Vanessa Woods: The genius of dogs. Discovering the unique intelligence of man’s best friend. Uitgever One World, 367 blz., € 20,99

Honden zijn geniaal, op hun manier. Ze begrijpen het als een mens ergens naar wijst. Naar een beker waaronder voer ligt verstopt. Of naar de struik waaronder de weggegooide tennisbal is gerold. Wijs ernaar, en de hond haalt ’m. Chimpansees en bonobo’s doen niks met zulke informatie, en dat heten toch slimme dieren. Wolven reageren ook niet op ons gewijs.

Honden wel. Die lezen ook onze blik. En ze leren net zoals onze kinderen dat doen, via deductie. Als een hond een speeltje heeft dat ‘beer’ heet en je introduceert een nieuw speeltje en zegt dan ‘haal paard’, dan leidt hij daaruit af dat het nieuwe speeltje ‘paard’ heet. En zo verder. Een hoogleraar psychologie leerde zijn hond Chaser zo ooit 1.000 woorden – van 800 zachte knuffels, 116 verschillende ballen, 26 frisbees en meer dan 100 plastic voorwerpen. De hond wist de voorwerpen te rangschikken naar vorm. Hij had dus het vermogen te categoriseren.

In hun boek The Genius of Dogs legt het echtpaar Brian Hare en Vanessa Woods uit wat honden zo geniaal maakt. Hare runt twee laboratoria aan de Duke University, waar psychologie en cognitie van honden, mensen en apen worden bestudeerd. Geen dier dat zo op de mens is ingesteld, schrijft het echtpaar. Met veel voorbeelden, een vlotte pen en liefde voor honden beschrijft het echtpaar hoe het onderzoek naar de cognitie van honden (dognition) van honden de afgelopen vijftien jaar is geëxplodeerd. Werd de hond decennialang niet serieus genomen – wat kon deze gedomesticeerde soort nu over natuurlijk gedrag vertellen – sinds ongeveer 2000 staat hij in de belangstelling.

Er zit ook humor in het boek. Hilarisch is bijvoorbeeld het verslag vanuit Rusland, waar Hare een fokkerij van zilvervossen bezoekt. Hij vraagt zich af of ook verwanten van de hond – wolven, vossen – het wijzende gebaar van mensen begrijpen. Daar zit hij opeens, in een buitensauna, naakt, met acht Russen die hem ‘Brain’ noemen. Er wordt gerold in de wintersneeuw, op ruggen geslagen met berkentakken, en heel veel alcohol gedronken.

De zilvervossen brengen hem op een nieuwe theorie over de domesticatie van de wolf. Een deel van de vossen was decennialang gefokt op aardig gedrag naar de mens toe. Steeds werden de minst stressvolle puppies geselecteerd. Binnen twintig generaties waren de dieren ingrijpend veranderd. Ze waren niet alleen veel vriendelijker, hun schedel was ook kleiner, ze hadden slappe oortjes, en vertoonden tot op hoge leeftijd speels gedrag. Zou op dezelfde manier de wolf ooit, tienduizenden jaren geleden, dezelfde selectie hebben ondergaan? Dat is de theorie van Hare: dat de schuwe wolf niet is gedomesticeerd door de mens, maar dat de vriendelijkste exemplaren toenadering zochten tot de mens, om aan eten te komen. Onder deze evolutionaire druk heeft de wolf in betrekkelijk korte tijd een verandering ondergaan. De schedel van honden is zo’n 15 procent kleiner dan die van wolven. De kaken zijn minder geprononceerd. Honden hebben slappe oortjes, blijven speels. Diezelfde verschillen zie je als je chimpansees vergelijkt met de minder gestresste bonobo’s, schrijven Hare en Woods. Voor de Neanderthaler en de moderne mens gaat het ook op. Ze denken dat hond, bonobo en mens dezelfde selectie hebben doorlopen: selectie op aardigheid. Met een cascade aan secundaire veranderingen als gevolg.

Na tweederde maakt het boek een zwaai, van de wetenschap naar de alledaagse praktijk. Het gaat bijvoorbeeld over wat je een hond wel en niet kunt leren, en dat hondenfokkerijen in de VS een soort fabrieken zijn waar veel dieren het slecht hebben. Dat is allemaal goed om te weten, maar het is wetenschappelijk minder interessant. Het zij de auteurs vergeven. Ze hebben een heerlijk boek geschreven dat eindigt met een mooie boodschap: honden verdienen net zo veel liefde van ons als zij aan ons geven.